zondag 24 november 2013

Bij nacht en ontij

Tussen de bomen ligt een inktzwart tapijt van diepe duisternis, daarboven een donker firmament met een enkele flonkerster. In de verte nadert een dolend licht, het enige wat zichtbaar wordt zijn dansende schaduwen. Zwaaiend van onder naar boven, van links naar rechts. Wat gebeurt daar bij nacht en ontij?
Kleine Wintervlinders, rustend op een Amerikaanse Eik

Een gestalte wordt zichtbaar, een forse Maglite in zijn hand. Speurend loopt hij van boom naar boom, soms even doorlopend, dan weer stoppend. Eiken, inlandse en Amerikaanse, zijn duidelijk favoriet. Dichterbij wordt gefladder zichtbaar, kleine, grijze vleugeltjes voeren een herenballet op. Alles gericht op die mysterieuze boomstammen waar ze geregeld neerstrijken.

Kleine Wintervlinder op een verlicht raam

Kleine wintervlinder, paring

Kleine wintervlinder, paring

We zijn te gast in de bruilofstnacht van de Kleine Wintervlinders. Een paar koude nachten heeft de bel geluid voor duizenden poppen die diep onder de strooisellaag maanden hebben liggen wachten. Het lijkt wel of het bos compleet tot leven is gekomen. Overal vliegen en kruipen vlinders. Nu moeten ze erbij zijn....maar waarbij? Want hoe goed er ook gezocht wordt, slechts twee bruidjes laten zich zien. Kennelijk staan al die honderden heren nog te wachten op het grote moment waarop de dames achter de coulissen vandaan willen komen.

Kleine wintervlinder, vrouwtje

Dames zijn in onze ogen maar nietige beestjes. Een beetje wantsachtig met niet meer dan frommels als vleugeltjes. Vliegen kunnen ze niet en lopen gaat ook niet al te snel met een dikke buik. Zodra ze uit de pop komen hebben ze maar één doel voor ogen: omhoog! En dat bij voorkeur in een eik want daar heeft hun nageslacht de beste kans om op te groeien. Eigenlijk best bijzonder want hun rupsjes lusten bijna elk blad wel. Binnen een dag worden ze bevrucht, zetten eitjes af bij enkele veelbelovende knoppen en gaan dan dood. Enkele weken als rupsje smullen, maanden roerloos als pop onder de grond en dan is het als vlinder in slechts een etmaal gebeurd. Wat een leven.

Grote Wintervlinder

Pissenbed

Duizendpoot

Rondsluipend blijkt al snel dat er meer te beleven is. Een enkele Grote Wintervlinder zit stil op een boom. Duidelijk is dat het voor hem geen zin heeft om rond te vliegen, er zijn vannacht geen dames aanwezig. Pissenbedden scharrelen over een boomvoet, een verkilde slak is niet meer in staat vooruit te komen.
Dan verschijnt in het licht van de zaklantaarn een immens roofdier! Tenminste als je zo groot bent als een dame Kleine Wintervlinder betekent een Duizendpoot groot gevaar voor lijf en leden. Gifkaken als pincetten klaar om toe te slaan, tientallen pootjes gereed om elke achtervolging te winnen.

Trek een dikke jas aan, ga er eens op uit in een donkere novembernacht en geniet van het vlindercircus.

vrijdag 8 november 2013

Tuin van de Tijd

Tuin van de Tijd, Bunne
In ijzer gegoten letters markeren de Tuin van de Tijd. De weilanden van Bunne (gemeente Tynaarlo) omarmen een paradijsje van slechts een kleine hectare groot. Hier is de droom van beeldend kunstenaar Femke van Dam en haar man werkelijkheid geworden. Een tuin waar kunst, natuur en een schitterende plantencollectie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Tuin van de Tijd, een stenen boot getroffen door een gevallen wilg

"Herinnering" aan het veenlijk van het Meisje van Yde, een leren jak verkleefd met het hout

Vanuit Japans perspectief is de tuin tijdloos. Verleden, heden en toekomst glijden naadloos in elkaar over. Stenen boten voeren gedachten over de bebladerde grond. Een gevallen wilg symboliseert vergankelijkheid en lijkt vergroeid met zijn omgeving. Een herinnering aan het meisje van Bunne, lang geleden gewurgd achter gelaten in het veen, ligt plat op een stronk. Haar leren jak keert terug tot stof, na acht jaar in de tuin al geheel verkleefd met het oude hout.

Spiegels vangen het passerende zonlicht en verscherpen de omgeving

Strategisch geplaatste spiegels markeren het pad van de zon. Beelden tekenend en verscherpend, onaanraakbaar ver verzonken in het glas. Even verder lopen kleine stukjes glas tegen een boom omhoog.Als de blik van boven naar beneden glijdt lijkt het net alsof er een gespiegelde film versneld afgespeeld wordt.

Zichtlijnen verbinden de tuin met Bunne

Kienhout, geconserveerd in het verdwenen veen

Bodemprofiel, dagboek van de laatste honderden jaren

Zichtlijnen verbinden de tuin van de Tijd met zijn omgeving. Bunne, en ver op de horizon Donderen, zijn zichtbaar als versteende wegwijzers. Verzuurd kienhout uit het verdwenen veen trekt een verticale lijn naar een verre historie. Dichterbij een bodemprofiel met daarin de laatste honderden jaren geschreven in uitgeloogd zand. Daarop geprojecteerd een animatiefilm van cineast Wout van Mullem. Het verglijden van de tijd golft letterlijk over de verschillende bodemlagen.

Tuin van de Tijd, Bunne

De Tuin van de Tijd is op afspraak voor groepen te bezoeken. Daarnaast heeft de tuin door het jaar verspreid enkele open dagen voor individuele bezoekers.

zondag 3 november 2013

Mijnwerkers

Bruine rozenmineermot (Stigmella anomalella)
De grote oktoberstorm heeft een onverwacht voordeeltje gebracht voor natuurspeurders: veel wat eens onbereikbaar hoog was ligt nu op ooghoogte. Boomkronen, toppen van struiken en allerlei klimmers behoren nu tot de kruidlaag en dat betekent heel veel blad om eens rustig te bekijken op interessante knagers. Voor grote rupsen is het begin november al bijna te laat maar tussen boven en onderkant van veel bladeren wordt nog hard gewerkt of zijn sporen van mijnwerkers terug te vinden. Geen tweebenige mensen die er te gast zijn maar zespotige rupsjes van allerlei mineermotjes.

Hangmotmot (Lyonetia clerkella), op berk
Zoals wel vaker was ik niet de eerste die op het idee kwam eens de loep te richten op deze bijzondere diertjes. Jelle Reumer, directeur Natuurhistorisch Museum Rotterdam, schreef er over in zijn wekelijkse column voor Trouw. "Jelle's weekdier" (zijn werktitel) was ditmaal de Late Eikenmineermot. Mijn zoektocht naar mijntjes leverde vandaag vooral veel Hangmotmotjes (Lyonetia clerkella). Jonge berkjes hadden in bijna elk blad wel een rupsje gehad. Als een dronken tor hadden ze zich een weg door het bladmoes gegeten. Grote lussen makend, geregeld hun oude gangen kruisend en uiteindelijk uit de mijn kruipend om zich te verpoppen in een hangmatje aan de buitenkant van het blad.

Beukenvouwmot (Phyllonorycter maestingella)

Hazelaarvouwmot (Phyllonorycter nicellii)

Hazelaarblaasmot (Phyllonorycter corylii)

Veel bescheidener zijn de Vouwmotjes. Geen doldriest geknaag maar rustig blijven liggen is hun motto. Soms alleen aan de onderkant van het blad actief, soms juist aan de bovenkant. Om ze op naam te krijgen is het wel handig om een redelijke bomenkennis te hebben. Op Beuk bijvoorbeeld zit alleen de Beukenvouwmot. Vaak tussen twee nerfjes knaagt het diertje zover door dat de cuticula van het blad (de "opperhuid") helemaal samentrekt tot een van boven zichtbare plooi. Hazelaars hebben vaak twee soorten, de Hazelaarblaasmot leeft aan de bovenkant terwijl de Hazelaarvouwmot alleen aan de onderkant te vinden is. Sta er eens bij stil, dan valt op dat de eerste soort het blad niet laat samentrekken maar een doorschijnend velletje achterlaat. Zo heeft elke soort zijn eigen eetgewoontes.

Eikenvlekmot (Tischeria ekebladella)

Bramenvlekmot (Coptotriche heinemanni)

Veel rupsen van mineermotjes lijken volgens een strak plan te werken. Een gang of een plooi, precies zoals alle anderen van zijn of haar soort het ook doen. Maar er zijn ook van die ruige lieden die maar wat doen. Knagen tot je letterlijk uit het blad barst lijkt het wel. De Eikenvlekmot of de Bramenvlekmot bijvoorbeeld. Alles verdwijnt wat voor hun hapgrage kaken ligt, wat overblijft is slechts de geest van het blad. Hol, leeggehaald, nutteloos. Verpoppen in dit verlaten pand heeft geen zin, even een draadje spinnen en je bent op de grond voor een lange winterrust.

Iepenkokermot (Coleophora badiipennella)

Bruingrijze kokermot (Coleophora serratella), op Zwarte Els
Goudvleksteltmot (Caloptilia alchemiella0

Om als mijnwerker je jonge leven te slijten moet je wel behoorlijk inleveren. Pootjes heb je niet nodig omdat je letterlijk in de soep ligt. Maar ook het lijf moet passen tussen boven en onderkant van het blad. Lukt dat niet? Dan is er altijd nog de oplossing die de Kokermotjes gevonden hebben. Bouw een huis, kruip er in als een heremietkreeft en steek kop en kaken in het blad. Wel wat opvallend maar toch beschermd voor een hongerige snavel. Als de rups zich verplaatst of gaat verpoppen blijft er een licht vlekje achter in het blad. Steltmotjes en Zebramotjes kennen dit probleem ook. Als jong rupsje is er niets aan de hand, alles past dan nog in een blad. Maar als de groei goed doorzet zit er niets anders op dan de beschutting te verlaten, een bladlob om te vouwen en daaronder verder doorgaan met eten.

Paardenkastanjemineermot (Cameraria ohridella)

Plataanvouwmot (Phyllonorycter platani)

Akenvruchtmineermot (Ectoedemia louisella)

Veel mijnen zijn eenvoudig te determineren als de boom, struik of kruidachtige plant waar ze op voorkomen bekend is. Op Paardenkastanje heb je alleen de overal aanwezige Paardenkastanjemineermot, op Plataan de Plataanvouwmot en in de vruchten van Spaanse Aak is de Akenvruchtmineermot te vinden.

Gewone eikenblaasmijnmot (Ectoedemia albifasciella)

Gewone eikenmineermot (Stigmella roborella)
Op eik wordt het al veel lastiger. Kleine vlekmijntjes bij de nerf of midden in een groen eiland kunnen van een aantal Eikenblaasmijnmotjes (Ectoedemia sp.) zijn; vouwmijntjes van diverse Eikenvouwmotjes (Phllonorycter sp.) en lange kronkelmijntjes van diverse Eikenmineermotjes (Stigmella sp.). Zelfs met de uitstekende tabel van Willem Ellis (Bladmineerders) blijft het best lastig om ook deze vlinderrupsjes goed op naam te krijgen. Ondanks al deze uitdagingen is de herfst een uitstekend seizoen om eens kennis te maken met deze bijzondere mijnwerkers.




Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...