maandag 31 maart 2014

Zespotig in maart

Boomhommel
Zaterdag 29 maart. De zon zweept de temperatuur op tot een weldadige warmte. Geuren van Skimmia, Stermagnolia en Peperboompje vermengen zich tot een bedwelmend parfum. Hommels brommen, zweefvliegen zoemen, bijtjes snoepen en een grasvlieg geniet van de zon.

Gewone franjegroefbij op Skimmia

Grasvlieg, nauwelijks 3 millimeter groot en zonnend op een Magnolia bloemblad

Grasvlieg, met reeds zoemende vleugels klaar om weg te vliegen
Grasvlieg? Tot vandaag had ik, ondanks vijf lange decennia natuur genieten, nog nooit van dit slechts 3 mm kleine vliegje gehoord. De eerste indruk is een veel te kleine zweefvlieg. Geel-zwart gestreept achterlijfje en een borststuk als een pyama zweefvlieg. Maar kijk eens naar de vleugels. Nauwelijks aders te bekennen en zeker geen "valse ader" (vena spuria) evenwijdig aan de middelste ader. Grasvliegen zijn overal in het noordelijk halfrond algemeen. Als larf leven ze van wortelluizen terwijl de volwassen vliegjes nectarsnoepers zijn. Op de Engelse versie van Wikipedia staat een bijzonder leuk filmpje van een mannetje Grasvlieg die bezig is om met wapperende vleugels lokstoffen voor zijn gewenste damesbezoek te verspreiden .

Dansmug

Nog een zonaanbidder is meneer Dansmug. Zijn parelmoer glanzende vleugels zijn te klein om zijn lange achterlijf te kunnen verbergen. Grote, geveerde sprieten verraden dat het een heer is en geen dame. Waarschijnlijk is hij wat eerder uit onze regenton gekropen en kan hij zich in alle rust voorbereiden op het grote ballet. Een aantal jaren geleden had ik al eens een ver familielid van hem aan de haak geslagen tijdens een speurtocht over de drabbige bodem van genoemde ton. Rood, geleed en vooral wormachtig kronkelend. Samen met een enkele steekmuglarf en zwart-witte motmuglarfjes hadden ze het duidelijk naar hun zin in de drijfnatte rottende bladermassa.

Grijze zandbij

Grote Zijdebij

Gewone wespbij


De volgende dag is het nog warmer. Tijd om eens te gaan kijken op de Gasterse Duinen naar zespotige bedrijvigheid. Vooral rond het hunebed, maar eigenlijk overal waar maar kaal zand te vinden is, is een krioelende en zoemende massa bijen te zien. Vooral Grijze Zandbij, gestoken in stemmig grijs, maar met iets meer zoeken ook Grote Zijdebijen. Tientallen, honderden pakketjes wilgenstuifmeel verdwijnt in de diepte als voer voor het toekomstige kroost. Roodlijvige Bloedbijen en geel-zwarte Wespbijen cirkelen bijna ongedurig rond, wachtend op hun beurt om als volleerde piraten de nesten binnen te vallen. Even er in, hup een ei op het verse stuifmeel en weer weg wezen voordat de eigenaresse terug komt.

Spinnendoder

Ver buiten de bijenkolonies heeft een ander insect een dansvloer "aangelegd". Aanvliegen, stukje rennen en dan met de donkere vleugels wapperen. Verleidelijke, alleen voor zijn partner herkenbare, geuren worden de lucht ingeblazen. Het is een Spinnendoder op vrijersvoeten. Deze graafwesp is in tegenstelling tot de bijen vorig jaar al verpopt en heeft als volwassen insect de winter doorgebracht. Op het moment dat kleine wolfspinnen overal beginnen rond te lopen slaan ze toe. Eén verlammende steek is voldoende om elk verzet te breken. Na wat sleepwerk verdwijnt het spinnetje vervolgens als levend voer in de ondergrondse broedkamer.

Bosbesuil

Voorjaarskortvleugelmot

Als afsluiting van dit bijzondere weekend wordt de nachtvlinderlamp nog even opgehangen in de tuin. Voor de massale vlucht van de Kleine Voorjaarsuil is het nog net iets te vroeg maar met een mooie Bosbesuil, een Variabele Eikenuil en een Zwartkamdwergspanner ben ik ook tevreden. Een heer Voorjaarskortvleugelmot komt nog even langs voordat mist als een klamme deken uitgerold wordt. Zijn dame zal hij niet vinden bij de lamp, ze is gedoemd om haar korte leventje op één boomstam door te brengen. Vliegen kan ze niet en ze moet maar afwachten wie langs wil komen voor de noodzakelijke bevruchting van haar eitjes.

Insecten in maart, heerlijk om naar te kijken en van te genieten.




zaterdag 15 maart 2014

Modderig leven in Moddergat

Modder in Moddergat, laag water op het Wad
Moddergat, een betere naam voor dit gehucht aan de Noordfriese kust is nauwelijks denkbaar. Achter de dijk dommelen enkele kleine huisjes in de zon, voor de dijk een eindeloze modderige vlakte. Rotganzen vliegen rondjes, tureluurs stappen tevreden rond in de prut en het slik blaast belletjes terwijl het water zich nog verder terugtrekt.

Moddergat, een streekdorp langs de zeedijk

Wadvlakte achter de dijk met een vervallen strekdam
Moddergat was eens een bruisend vissersdorp maar zou nooit meer herstellen van de grote ramp in 1883. Van de 22 trotse schepen kwamen er 18 nooit meer terug na een vliegende storm. Tot overmaat van ramp verschoof de vaargeul steeds verder naar het westen, Moddergat werd een vissersdorp zonder haven en zonder vissers. Forenzen en toeristen kwamen er voor in de plaats, genietend van prachtig gerestaureerde huisjes, het museum en vooral het fenomenale uitzicht over het wad.

Wadslakjes

"Weiland" van Kiezelwieren, er op grazende Wadslakjes

Kiezelwier (diatomee), 200 x
Mijn aandacht gaat echter richting het slik. Wat leeft er in, op en van de modder in Moddergat. Direct onder aan de dijk ligt het antwoord letterlijk voor het oprapen. Achtergelaten door de vloedstroom zakken de laarzen weg in een centimeters dik pakket schelpjes. Het zijn minuscule Wadslakjes geweest. Miljoenen diertjes, slechts 5 millimeter groot, die al grazend over en door het slik zijn gekropen. Ze zijn niet geïnteresseerd in zeekraal of zeewier. Zij gaan voor kiezelwieren. Als bruine mat zichtbaar op het drooggevallen slik. Pas met hulp van een microscoop is te zien dat het miniatuurtjes in een rechthoekige of puntige vorm zijn. Twee kiezelschaaltjes en daarbinnen het celplasma en organellen waarin de slak geïnteresseerd is.

Muiltje, bovenzijde

Muiltje, onderzijde, er in een klein Wadslakje

In het schelpengruis ligt een restant van een tweede grazer, een reus vergeleken met de Wadslakjes. Het is een Muiltje, een forse slak met een mutsvormig huis die alleen gewonden is aan de top. Aan de onderkant is een halfgesloten witte plaat zichtbaar als afsluiting van de schelp. Deze dieren zakken weg in het zachte slik van Moddergat, zij zoeken een wat steviger bodem als "weiland". Vermoedelijk is deze schelp door de stroming meegesleept en hier achter gelaten.

Bont gekleurde Nonnetjes

Kokkels

Platte slijkgaper

Tussen de Wadslakjes en overal in het slik verborgen liggen grotere schelpen van filteraars. Bont gekleurde Nonnetjes, gegroefde Kokkels en gladde schelpen van Platte Slijksgapers. Toen ze nog leefden zaten ze net onder de wadbodem verborgen. Met een inlaatsiphon als stofzuigerslang werd water naar binnen gehaald, gefilterd en zonder organische deeltjes weer naar buiten geblazen. Scholeksters, Strandlopers, Wulpen en Tureluurs zijn verzot op deze schelpdiertjes.

Oude strekdam, Moddergat

Mossel met zeepokken en Kokkels

Japanse oester

Vanaf de kust bij Moddergat steken kleine dammetjes van houten palen de zee in. Eens gebruikt om kwelders te beschermen tegen te sterke stroming of nieuw land te winnen zijn ze nu overgeleverd aan de tand des tijds. Verweerd, verbleekt en overal "begroeid" met Mossels en Japanse Oesters. Ook zij zijn filteraars maar leven niet ingegraven in het slik. Vastgehecht aan hout, stenen of elkaar kunnen ze stromend water uitstekend de baas en zijn daarmee verzekerd van een dagelijkse portie vers voedsel.

Modder in Moddergat, zelfs een monsterpotje wordt opgeslokt door het slik

Modder in Moddergat, leven in de prut. Voor een bioloog een bijzondere uitdaging.


zaterdag 8 maart 2014

Insectenweelde

Azalea japonica, voorjaarspracht
De meteorologische lente is begonnen en dat is dit jaar goed te merken. Temperaturen vliegen omhoog en veel planten bloeien weken eerder dan "normaal". En dat betekent voor overwinterende volwassen insecten tijd om de facetogen te openen, de sprieten te poetsen en de vleugels letterlijk uit te slaan. Meestal zijn het de dames Aardhommel die als eerste het nog kille luchtruim kiezen maar dit jaar komt alles tegelijk. Het was op en rond onze bloeiende Azalea vandaag insectenfeest. Van zonaanbidders tot echte veelvraten, van harde werkers tot schuinsmarcheerders, van alles was er te vinden.
Aardhommel

Honingbij

Meest opvallend zijn natuurlijk de stevige vrouwen. Donkerharig, voorzien van de gele band en een witte sok. Geen moment rust zit er in hun lijf. Voortdurend grabbelen zes poten rond in het rijke, oranje stuifmeel. Steeds maar meer verdwijnt er tussen de haren. Alles gaat linea recta richting het nest. Aangestampt wordt het samengeperst tot stuifmeelbroodjes voor haar nog ongeboren kinderen.
Ondertussen vliegen er ook nog kleinere dames rond, honingbijen die bijna nog meer haast lijken te hebben. Stuifmeelkorfjes worden vol gepropt en naar de korf gebracht. Waar hun huis staat is onbekend maar binnen de kortst mogelijke tijd vliegen er meer dan twintig zoemende bijen rond.

Kleine vos, gehavend

Kleine vos

Veel gracieuzer zijn de Kleine Vossen. Voorzichtig proeven ze wat van het nectar maar voortdurend blijven ze alert op hun omgeving. Twee heren krijgen het steeds maar weer met elkaar aan de stok. Zodra ze elkaar ontdekken stijgen ze in een verticale lijn op, draaiend en wervelend om maar indruk te maken. En dat is best lastig als je al wat ouder aan de winterslaap begon. Vaal geworden door schub verlies, een stuk vleugel verloren door een uitval van een hongerige mees, moet je het opnemen tegen een jongeling die bijna kakelvers het beste plaatsje gevonden had om de vorige maanden te overleven.

Vlieg

Vlieg

Slank Platvoetje (Platycheirus angustatus), een zweefvlieg

Vliegen zijn als bijna altijd ook nu weer present op de Azalea. Eten doen ze weinig maar zonnebaden des te meer. Op een Speenkruid bloemetje in het gemeentelijk plantsoen zit een eerste zweefvlieg. Klein, smal en pas op de foto zijn de fraaie donkergele bandjes te zien. Het is één van de Platvoetjes, mogelijk een vroeg uitgekomen exemplaar van het Slank Platvoetje (Platycheirus angustatus).

Zevenstippelig Lieveheersbeestje

Zevenstippelig Lieveheersbeestje

Schuinsmarcheerders zijn er volop. Tientallen Zevenstippelige Lieveheersbeestjes schuifelen in rap tempo over stengels en bladeren. Alles wat maar op een verleidelijke dame lijkt wordt gegrepen. Verzet heeft geen zin, weglopen ook niet. Meneer ramt zich vast en blijft hangen tot ze eindelijk stil blijft staan. Voor de dames is dit ook het beste, nu moeten er eitjes gelegd worden om er voor te zorgen dat de kinderen straks als eersten bij een rijk gedekte luizentafel kunnen aanschuiven.

Kleidocerys resedae, een zeer algemene "grondwants"
Ondertussen stijgt een doordringende wantsenstank op. Vies, bitter, bijna bijtend in de neus. Even rond kijkend blijkt dat elk zonnig plekje ingenomen is door honderden kleine wantsjes. Vaak nog in een kluitje bij elkaar maar soms ook bijna languit liggend in de zon om maar zoveel mogelijk warmte op te slorpen. Het is Kleidocerys resedae, een soort "grondwants"(Lygaeidae). Onze Duitse buren noemen ze Berkenwantsen, een naam die bij ons gebruikt wordt voor een veel grotere soort. Kleidocerys is nog geen 5 millimeter groot maar kan in enorme aantallen gezien worden in herfst en voorjaar. Bij voorkeur rond berken waar ze uitgebreid van kunnen snoepen.

Insectenweelde in het voorjaar, ga er ook eens naar kijken.


zondag 2 maart 2014

IJzige bouwmeesters

Hondsrug, gezien vanaf de Buunerbult (Buinen)

Geopark de Hondsrug, met als slagzin "Van alle tijden". Een gebied wat zich diagonaal van Coevorden tot Haren uitstrekt en sinds augustus vorig jaar internationale erkenning geniet. Eens een ijzige werkplaats van grondbewerkers, nu een streek waar de recreant met een glimlach rondloopt. Het is als een levend boek waar al meer dan 300.000 jaar aan geschreven wordt. Vooruit bladeren is wat lastig maar terugbladeren is een boeiende bezigheid.

Scandinavische granieten en porfieren, meegevoerd door het ijs

Dala zandsteen, geslepen en gepolijst in Nederland achtergelaten

Metersdikke laag stuifzand als herinnering aan de toendra van het Weicheselien

Op zondag 23 februari stond "IJzige sporen" op het programma van de camping Lente van Drenthe (Gasselte). Een natuurwandeling waar iedereen uitgenodigd werd om op zoek te gaan naar sporen van de ijstijd. Overal te vinden zijn brokken Scandinavisch graniet en vuursteen, meegesleept door tonnen ijs in de tweede ijstijd (Saalien, 238.000 - 128.000 jaar geleden). Maar ook restanten van gigantische zandstormen uit de laatste ijstijd (Weichselien, 116.000 - 11.000 jaar geleden) liggen als een zachte mantel rondom Gasselte en feitelijk over geheel Noord-Nederland.

Niet voor te stellen: 1000 meter ijs bovenop de Hondsrug (deze foto is van de Perito Moreno gletsjer, Argentinië)

Drentsche Aa, een opgevuld oerstroomdal

De ijstijden als bouwmeesters van de Hondsrug. Slijpend, schurend, vermalend. Vijf langgerekte strepen in het landschap die elk bestaan uit enorme hoeveelheden gemalen Noorse rotsen gemengd met zand uit lang vervlogen tijden. Opgestuwd en opgedrukt totdat het ijs zich tevreden terugtrok. Een landschap achterlatend wat er uitzag als een pokdalig modern kunstwerk. Doodijsgaten, waar brokken gletsjerijs, afgedekt met grond, als souvenirs achterbleven en later smolten totdat er een miniatuur maankrater overbleef. Krassen en lijnen, ruggen en oerstroomdalen als mysterieus vlechtwerk in het landschap.

Pingo, eens een gesmolten ijslens uit de permafrost, nu een venig ven
Drouwener Zand, door menselijk ingrijpen weer een stuifzandgebied

Net als bij mensen heeft elke ijstijd bouwmeester zijn eigen stijl. Werkten ze in het Saalien op de Hondsrug vooral met ijs en water, in het Weichselien mocht de wind zijn gang gaan. Gierend over permanent bevroren vlaktes werden karrenvrachten Noordzeezand uitgestort over de Drentse Hondsrug. Doodijsgaten verdwenen, nieuwe kraters verschenen. Nu als later ontdooide ijslenzen die vanuit een continue grondwaterstroom letterlijk omhoog gedrukt werden in de permanent bevroren toendra. Met een keurige Inuit term noemen we ze pingo's.

Vanaf de Leewal uitkijkend op Exloo

Bovenop de Leewal en het Molenveld, Exloo

IJzige bouwmeesters werkten zonder logboek. Neanderthalers kwamen, zagen en verdwenen zonder hun verhaal vast te leggen. Rendierjagers uit de Hamburgcultuur achtervolgden het wild over de Drentsche toendra's maar werden verzwolgen door de tijd. De moderne Drent kwam en kon niets anders dan zich verbazen. De herkomst van kei en zand werd achterhaald, de Buunerbult en de Hondsrug verklaard. Maar de Leewal bij Exloo dan? Is het een esker? Gevormd als tunneldal onder het ijs en gevuld met puin en later bloot gelegd? Of is het toch een windduin uit de laatste ijstijd? Wat we wel weten is dat door werk van eminente geologen als Enno Bregman we steeds meer begrijpen hoe de ijstijden ons landschap vormgegeven hebben.

Verdere informatie: Geopark de Hondsrug: Expeditie IJstijden (verkrijgbaar bij VVV's, musea en toeristische bedrijven)
Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...