woensdag 21 mei 2014

Vlinders uit een zakje


Kleine Reuzenzakdrager (Canephora hirsuta), Hoge Veluwe
Vraag een willekeurige passant om eens een vlinder te beschrijven en de meest kleurrijke superlatieven fladderen door de lucht. Vrijwel altijd gaat het over dagvlinders, een  bonte stoet van schubvleugelige bloembezoekers. Van gele Citroen tot helderblauwe Vogelvlinders in het tropisch regenwoud. Mijn aandacht gaat vandaag echter naar een veel bescheidener groep. Vlinders die een groot deel van hun leven zich verstoppen in een zelfgemaakte zak. Maar ook over mannetjes die hun kans grijpen als een niets vermoedend vrouwtje voor het eerst uit haar poppenwieg kijkt.
Iepenkokermot, Lauwersmeer

Kokermot sp., Hunze

Slanke Wilgenkokermot

In Nederland kennen we twee vlinderfamilies die kiezen voor een eigen verpakking tijdens hun kwetsbare rupsenstadium. Kokermotten zijn miniatuurtjes die genoeg hebben aan een paar vierkante millimeter blad om hun achterste segmenten in te stoppen. Hun kaakjes knagen vanuit deze beschutting een gaatje in de boven- of onderkant van een blad om zich te voeden met sappige plantenweefsel. Na verpopping kiezen ze het luchtruim op zoek naar een geschikte partner. Eten doen ze als volwassen vlinder niet, het gaat puur om voortplanting. Soms komen ze even langs op een vlinderlaken of verlicht raam. De vleugels worden dan dakpansgewijs opgevouwen en de lange sprieten gaan recht naar voren in ruststand. Determinatie van deze kleine fladderaars is feitelijk voorbehouden aan specialisten, alleen als rups is het merendeel van de soorten op naam te brengen. Soms alleen al door hun voedselplant maar ook vaak door de vorm van hun kokers.

Kleine Reuzenkokermot (Canephora hirsuta), Hoge Veluwe
Zandzakdrager (Dahlica triquetrella), Haren

Sierlijke Zakdrager (Proutia betulina), Haren

Gewone Zakdrager (Psyche casta), Haren
Zakdragers (Psychidae) zijn een stuk groter, aan de andere kant van het Kanaal worden ze wat oneerbiedig "Bagworms" genoemd. Maar eigenlijk hebben ze wel gelijk, als rups zij het net wormen in een zakje. Geen "puut" van de plank maar unieke creaties van zand, stro, takjes of bladfragmenten volgens een strak gedefinieerd bouwplan. Wordt je geboren als Zandzakdrager dan is gebruik van hout uitgesloten. En de Gewone Zakdrager moet het doen met weerbarstige strootjes. Als Kleine Reuzenzakdrager heb je het gelukkig wat gemakkelijker. Grijp wat voor je kaken ligt en verwerk dat tot een veilig huis. Enige bescherming is ook wel nodig want het zijn actieve beestje die heel wat meters afleggen op zoek naar een smakelijke hap. Sommigen genieten van een verse alg of paddenstoel maar veel van de 25 Nederlandse soorten zijn echte omnivoren. Of het van plantaardige oorsprong is of een overleden mug, alles gaat in gemalen vorm naar binnen. Op hun beurt worden zij weer gegeten door bijvoorbeeld mieren, een enkele vogel en in tropisch Afrika zelfs door mensen.

Grote Reuzenzakdrager (Pachythelia villosella), Hoge Veluwe

Sigaarzakdrager (Taleporia tubulosa) met restanten pophuid, Appelscha

Knopzakdrager (Baucotia lacustrella), Paterswolde

Zakdragers gaan uiterst efficiënt met hun zak om. Steeds wordt er wat aangebouwd en zelfs het verpoppen gebeurt gewoon thuis. Daarna begint het meest bijzondere deel van hun leven. Als je als heer Zakdrager op de wereld gekomen bent krijg je twee paar vleugels mee. Meestal donker gekleurd en in rust als een kingsize dakpan boven hun lijf opgevouwen. De dames komen nauwelijks uit hun cocon. Vaak staan de heren al klaar voor de daad als ze nog maar enkele minuten uit hun pophuid gekropen zijn. Dat gebeurt vaak in de vroege ochtend wanneer ze het meest actief zijn. Vervolgens worden de eitjes afgezet en is het gedaan met het leven van de jonge vrouwen. De Grote Reuzenzakdrager heeft echter een ingenieuze oplossing bedacht om de eitjes te verspreiden. Volgens Sterling en Parsons ("Micro Lepidoptera of Great Britain and Ireland"). Zij lijkt sprekend op een vliegenmade en laat zich met genoegen opeten door vogels of hagedissen. Terwijl haar lijfje verteerd blijven de eitjes gespaard in het darmkanaal en worden met andere resten weer uitgescheiden. Hoe bizar kan het zijn!

Graszakdrager (Epichnopteryx plumella) , Planken Wambuis

Vlinders in zakken zijn met de mooie site "Microlepidoptera" redelijk snel op naam te brengen. Kleinere soorten en jonge zakjes blijven echter lastig. Een goede hulp is altijd de vindplaats. De Gewone Zakdrager is bijna overal wel te vinden maar de lange zakken van de Sigaarzakdrager zijn echte boomliefhebbers. En voor beide Reuzenzakdragers is heide een perfect biotoop. Ga er eens naar op zoek, heb je er eenmaal één gevonden dan wil je ze graag allemaal gezien hebben.


zaterdag 10 mei 2014

Waterbiezen, bijzondere planten

Gewone Waterbies  (Kardinge, Groningen)
Als wekelijks columnist van het Harener Weekblad krijg ik geregeld verzoeken voor bijzondere groene onderwerpen. Maar vandaag bracht de digitale post een geheel andere vraag: schrijf eens een blog over Waterbiezen. Groen, grasachtig en voor beginnend floristen vaak lastige soorten. De vraag kwam niet helemaal uit de grijze lucht vallen. Het begon met een tweet rond de start van de door Natuurpresentaties gegeven Groen en Doen cursus "Flora Gevorderd" in Haren waarin Waterbies letterlijk voor het voetlicht gezet werd. Hun "tweetmaster" liep er een paar dagen mee rond en vandaag kwam het hoge woord er uit: "ik wil er meer van weten".

Scherpe Zegge (Haren)

Zandzegge (Havelte)

Mattenbies (Orvelte)

Waterbiezen behoren tot een grote familie van grasachtige planten, de Cypergrassen (Cyperaceae). Meest bekend hiervan zijn de Zegges met hun driekantige stengels en vrijwel altijd eenslachtige bloemen. Grote pollen sieren slootkanten maar ook kunnen ze op gortdroge zandverstuivingen en duinen uitstekend uit de voeten. Veenpluis en Eenarig Wollegras zijn zeker in Oost-Nederland even bekend. Vroeg in het voorjaar bloeiend en daarna voorzien van een feestelijke witte pluim. Mattenbies, bekend als grondstof voor biezen stoelbekleding, behoort samen met Galigaan tot de werkelijke reuzen van deze plantengroep. Van modderige bodem tot stengeltop meten ze soms meer dan twee meter.

Links Waterbies, rechts Veenbies (onbekende flora, Wikipedia)

Veenbies (Zeegse)

Gewone Waterbies (Bentheim)

Waterbiezen hebben afscheid genomen van alles wat ze wel konden missen. Een bladschijf bijvoorbeeld. Alleen aan de stengelvoet zitten nog een paar bruine tot dieprode bladschedes.Dit is ook meteen het verschil met Veenbies die nog één bladschijfje heeft. Bloeien doen ze uitbundig maar ook weer met bijna niets. Geen bloemkroon of kelk, gewoon een paar miniatuur borsteltjes onder aan het vruchtbeginsel.

Gewone Waterbies (foto Wikipedia)

Slanke Waterbies (Schiermonnikoog)

Naaldwaterbies (Drents Friese Wold)

Wereldwijd zijn er ruim honderdijftig soorten Waterbies. In Nederland moeten we het doen met slechts zes. Drie hiervan zijn vrij zeldzaam tot uiterst zeldzaam (Eivormige Waterbies). Meest algemeen is de Gewone Waterbies, overal in onze klei- en laagveengebieden is deze soort wel te vinden langs slootkanten. Dankzij een kruipende wortelstok staat bijna niets een ongeremde groei in de weg. In de duinen kan gezocht worden naar de Slanke Waterbies. Bijna identiek maar let eens op het aartje. Het onderste, lege en dus steriele, kafje omsluit bij de Slanke Waterbies de steel als een manchet. Bij de Gewone Waterbies liggen er twee, eveneens steriele, kafjes tegen de onderkant van de aar aan. Oevers van vennen maar ook op open rivierklei zijn plaatsen om uit te kijken naar Naaldwaterbies. De vierkante stengel geeft direct zijn identiteit prijs, alle andere soorten zijn rolrond.

Veelstengelige Waterbies (bron: http://erick.dronnet.free.fr/) 

Waterbiezen gedragen zich als bijzondere pioniers. Kiemend op kale, natte blubber en dan vervolgens heel lang stand houdend. Veelstengelige Waterbies gebruikt daarvoor een wel heel bijzondere techniek. Na de bloei buigt het aartje devoot het hoofd. Zodra het water of een waterverzadigde bodem geraakt wordt lijkt de plant wakker te worden en het aartje groeit uit tot een nieuwe plant. Zonder de wortelstok van de Gewone Waterbies kunnen zo letterlijk meters afgelegd worden. Deze strategie blijkt buitengewoon succesvol om bijvoorbeeld oprukkende Knolrus voor te blijven.

Determineren van Waterbiezen is niet echt moeilijk, het is een kwestie van goed kijken en gewoon proberen. Zonder woorden vertellen ze elk een bijzonder verhaal over waterkwaliteit en ecologische kwaliteit van onze natuur.

donderdag 1 mei 2014

Kleine beestjes

Landkaartje
De Oosterpolder bij Haren, lang geleden behorend bij het onmetelijke moeras van het Gorecht in de bovenloop van de Hunze. Nu is het een uitloopgebied van een onder architectuur gebouwde wijk waar Blauwborst en Sprinkhaanzanger zich uitstekend thuis voelen. Samen met KNNV Groningen gaan we echter eens op zoek naar het kleine grut.Vliegend, kruipend of sluipend, alles is interessant.



Weidevlekoog

Boven de opkomende brandnetels fladderen Landkaartjes in voorjaarskleed. Uit hun eitjes zullen geen oranje vlinders komen maar zwarte zomergenieters. Op hun beurt leggen zij weer eitjes voor het komend jaar die na een koele overwintering uitkomen als, je raad het al, oranje fladderaars. Veel kleiner zijn rondvliegende Weidevlekogen. Wat plompe, donker gekleurde zweefvliegen met een opvallende bonte tekening op beide ogen.

Zuringspitsmuisje, Apion haematodes

Snuitkevertje

Hennepnetelhaan, Chrysolina fastuosa

Moertje, Chrysolina polita

Forse ridderzuring planten blijken bezoek te hebben gekregen van minuscule snuitkevers. Zuringspitsmuisjes worden ze wel genoemd. Een zwarte versie is niet op naam te krijgen maar de rode, snelle renners kunnen benoemd worden als Apion haematodes. Hun snuit is geknikt en de beide wangetjes zijn opvallend glad. Terwijl de focus helemaal op deze, slechts een paar millimeter kleine, kevers is gericht stapt een bonte reus traag stappend in beeld. De bont gekleurde hennepnetelhaan is met bijna zeven millimeter meer dan drie keer zo groot en dan is het wel even focussen om het beeld goed te krijgen. Vroeg in het jaar staat brandnetel op zijn menu, later stapt hij over op dovenetel en hennepnetel. Iets verder staat een familielid, het Moertje, diepzinnig te staren naar zijn prikkelende maaltijd. Met roodbruine dekschilden en een zwarte kop is het beestje direct te onderscheiden van het andere "goudhaantje".

Kleine Beer

Aan de waterkant hangt een beetje natte Kleine Beer gevaarlijk dicht bij de waterspiegel. Kakelvers uit de pop is de vlinder in een grasspriet geklommen om eens goed uit te harden maar het geringste zuchtje wind kan leiden tot een fatale duik. Zodra de zon onder is zal deze mooie nachtvlinder op de wieken gaan richting een slok en een betere plek.

Barnsteenslak

Egelwegslak, Arion intermedius

Barnsteenslakken zijn overal aanwezig. Met hun bijna doorzichtige en gewonden huisjes zijn ze goed te herkennen. Raspend en slijpend trekken ze diepe sporen over het jonge groen. Onder een plank schuilt een Egelwegslak. Een glibberige knaap voorzien van een pukkelig velletje. Door alle aandacht ontwaakt het diertje, rekt zich uit en krijgt weer een bijna glad huidje.

Brandnetelmotje, Anthophila fabriciana

Groene schijnboktor, Oedemera virescens

Paardebloem en Pinksterbloem zijn in trek bij enkele bijzondere gasten. Het Brandnetelmotje is een klein, bruin vlindertje met afgeronde vleugeltjes voorzien van een onopvallend wit streepje. Alsof er een slobber wedstrijd begonnen is rent elk vlindertje over de bloem, even drinken en hup weer verder. Binnen een minuut staan ze meerdere keren letterlijk op hun kop te genieten van verse nectar. Op de Pinksterbloem zit een dikpotig kevertje: de groene Schijnboktor. In zijn eerste levensdagen komt hij aan zijn voedsel door te boren in Kruiskruid. Na de verpopping verandert de larf in een prachtige groene kever die leeft van stuifmeel.

Met deze KNNV excursie blijkt niet alleen hoe rijk het gebied is maar ook hoeveel je ziet als je met meer mensen eens gericht gaat zoeken.
Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...