dinsdag 20 oktober 2015

Mycologisch Madurodam, paddenstoeltjes in zakformaat

Zwavelgeel Franjekelkje, op brandnetel, 0,5 - 2 mm
Begin 2015 kwam de werkelijk magnifieke Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe uit. In deel II, op bladzijde 487, stond het Zwavelgeel Franjekelkje. Een wit schijfje, omgeven met een gele stralenkrans en ook nog eens algemeen. Dat zou mijn doelsoort worden voor de rest van het jaar. En nu....werkelijk overal waar afgestorven brandnetels liggen kom ik dit paddenstoeltje tegen.
Gewoon wimperzwammetje

Acht sporen in een zakje, Gewoon Wimperzwammetje ( x 400)

Een mooie aanleiding om eens een blog te schrijven over "Mycologisch Madurodam". Paddenstoeltjes maar dan wel heel letterlijk in zakformaat. Geen traditionele steeltjes, een hoed en plaatjes maar schijfjes, knotsjes en bekertjes. Sporen vormen doen ze uiteraard ook maar niet met vier tegelijk aan de top van een cel. Zij kiezen voor een extra verpakking. En doen er meteen ook maar acht, of zestien zoals bij de Gele Kussentjeszwam, in een zakje. Als ze rijp zijn worden ze met enorme kracht (tot dertig atmosfeer) uit de zak weggeschoten in de hoop dat de wind wel zal zorgen voor verdere verspreiding.

Zakjeszwammen (Ascomycota) zijn misschien minder bekend dan de "rood-met-witte-stippen-vliegenzwam" maar wie kent niet de Truffel? Of de Morielje? En zelfs de bekende penicilline schimmel en bakkersgist zijn ascomyceten. Alleen in Nederland al komen er duizenden soorten voor. Vele zo klein dat ze alleen microscopisch te zien zijn. Enkele zijn groot genoeg om in een paddenstoelengids opgenomen te worden. In dit blog richt ik mij op het tussengebied van zwammetjes tussen 0,5 en 10 mm groot. Vaak als afbrekers actief en te vinden op dood hout en rottende plantenresten.

Brandnetelkelkje (Calyptella capula, 4 - 6 mm), op grote brandnetel

Brandnetelvulkaantje (Leptosphaeria acuta, 0,3 mm hoog), op grote brandnetel

Gewoon poederkelkje (Calycina herbarum, 2 - 3 mm), op grote brandnetel

Om eens kennis te maken met zakjeszwammen keer ik terug naar de brandnetels. Meteen valt op hoe klein ze zijn. Je moet werkelijk met de neus op de grond op zoek naar half verrotte stengels van het vorig jaar. Oppakken lukt al bijna niet meer. Met zes millimeter is het brandnetelklokje de aller grootste. Het kleinst zijn de brandnetel- en kruidenvulkaantjes, eigenlijk niet meer dan zwarte pukkels op de stengel. Daar tussen zitten tientallen, honderden schijfjes van het gewoon poederkelkje. Hier is de natuur aan het werk, zelfs de taaiste brandnetelvezels veranderen in pulp nadat de schimmels het cellulose afgebroken hebben.

Geel houtvlieskelkje (Hymenscyphus calyculus, tot 5 mm), op eikenhout

Gele kussentjeszwam (Hypocrea aureoviridis, 2 - 3 mm), op zwarte els
Niersporig wasbekertje (Orbilia delicatula, 1 mm), op stronk populier

Eivormig ruigkogeltje (Lasiosphaera ovina, 0.5 - 1 mm), op populieren hout
Rot hout is ideaal om eens naar miniatuurtjes te gaan zoeken. Veel zijn schijfvormige paddenstoeltjes, andere net kleine bekertjes. Vaak zijn ze geel gekleurd en in ieder geval redelijk afstekend tegen het substraat. Dat het ook anders kan blijkt pas als je geheel toevallig het eivormig ruigkogeltje tegenkomt. Krap een millimeter groot ziet het er eerst uit als een slijmzwammetje. Met de loep is echter de witte beharing goed te zien, iets wat nooit bij de slijmige kruipers voorkomt.

Eikeldopzwam (Hymenoscyphus fructigenus, 1-3 mm breed, 3 - 15 mm hoog), op eikel

Eikelbekertje (Ciboria tuberosa, 10 mm), op eikel

Zoals overal zijn er ook in deze groep echte specialisten. Bijvoorbeeld bij de eikeleters. Eikeldopzwammetjes gaan voor de buitenkant. Zodra het napje afgedankt is lijken de sporen er bij tientallen op af te komen. Even een zwamvlokje vormen en hup, een lichtgeel vruchtlichaampje. Dat doen ze trouwens ook op resten van door gaaien opengehakte eikels. Eikelbekertjes zijn een stuk trager. Eerst doen ze er een jaar over om een eikel helemaal zwarte te maken en pas daarna komen de bruine bekertjes te voorschijn.

Groot oranje mosschijfje (Octospora humosa, 3 - 10 mm), deels parasitisch op bladmossen

Robertskruidkraterbultje (Coleroa robertiani, 0,3 mm), bladsteel van robertskruid

Oranje mestschijfje (Cheilymenia granulata,3 - 5 mm), op zachte mest

Op de grond, op een blad van robertskruid, op mest, letterlijk overal zijn zakjeszwammen te vinden. Lang niet allemaal als lilliputters. Geweizwammetjes, Bruine bekerzwam en Varkensoor horen er ook bij. Wereldwijd, en ook in Nederland, is het de meest rijk gesorteerde groep maar helaas blijft determinatie lastig. Vaak moet de microscoop uitkomst brengen en zelfs dan is het zoeken. Boeken geven niet meer dan een selectie van de meest opvallende soorten. Wil je er toch aan gaan beginnen? Kijk dan eerst eens rond op de website van Hannie Wijers. Met haar uitstekende foto's, en vaak ook sporen preparaten, kun je vaak al veel uitsluiten. Voor een eerste indruk van de rijkdom aan zakjeszwammen in je eigen omgeving is de Verspreidingsatlas Paddenstoelen te raadplegen.

Roestbruine kogelzwam (Hypoxylon fragiforme, 4 - 10 mm), op populieren hout







dinsdag 13 oktober 2015

Slijmige miniatuurtjes

Heksenboter (Fuligo septica, Glimmen)
"Vieze kledders in het bos". Een veel gehoorde opmerking als het gaat over slijmzwammen. En dan wordt bijna altijd gewezen op Heksenboter of een andere, grote soort. En geef ze eens ongelijk. Zacht, glibberig, schijnbaar zonder structuur ligt er gekleurd snot over mos, hout of gras gedrapeerd.
Oeps....de verkeerde weg ingeslagen. Een niet te determineren slijmzwam op de top van een dood grassprietje (Haren)
Slijmzwammen, ook wel myxomyceten genoemd, zijn alleen in naam zwammig. De meesten zijn nauw verwant aan pantoffeldiertjes hoewel tot op heden de exacte verwantschap niet helemaal opgehelderd is. Ze verspreiden zich met sporen die na kieming een slijmige massa oplevert. Het is feitelijk één reuzencel met tientallen kernen die zich al grazend en jagend over het substraat beweegt. Bacteriën, eencellige beestjes en soms ook kleine deeltjes organisch materiaal gaan als hapklare brokken naar binnen.Vrijwel alle soorten zijn in deze fase niet op naam te brengen.

Versmolten kalkschaaltje (Diderma effusum, Haren)
Schijfvormig kalkschaaltje (Diderma haemisphaericum, Pesse)

Opensplijtend kalkkopje (Physarum bivalve, Haren)

Knikkend kalkkopje (Physarum nutans, Pesse)

Witdeksel kalkbekertje (Craterium minutum, Uithuizen)
Op een dag wordt het tijd om te denken aan het nageslacht. Wat precies de aanleiding is zal nog wel even onbekend blijven maar vermoed wordt dat het met temperatuur, vocht of het beschikbare voedsel te maken heeft. Van een ongestructureerde gelatinepudding verandert het organisme in een miniatuur landschapje met torens, cilinders, bollen of bekers. Elk gevuld met miljoenen sporen die bij de minste aanraking hun weg naar een nieuwe toekomst beginnen. Regendruppels, wind, dieren of een passerend fotograaf zijn excellente verspreiders. Sommigen houden rekening met uitdroging en voorzien hun sporendragers van een kalklaagje. Microscopisch dun maar net voldoende om de sporen te beschermen.

Doorschijnend langdraadwatje (Hemitrichia comata, Uithuizen)


Grootmazig netwatje (Stemonitis splendens, Uithuizen)
Er zijn ook vernuftige slijmzwammen die hun sporen graag wat extra hulp meegaven. Alles wordt ingepakt in een onontwarbare kluwen draden die letterlijk uit hun verpakking barsten. Wapperend in de wind wervelen ze de sporen omhoog. Of laten ze net als een jong spinnetje aan een draad door de wind oppakken om elders zich weer te verankeren. Uiteraard er op hopend dat de spore dan op de allerbeste plaats is terechtgekomen om zich te gaan ontwikkelen tot een nieuwe slijmzwam.

Rossig buiskussentje (Tubilifera arachnoidea, Pesse)
Zilveren schijnpluimpje (Stemonitopsis typhina, Haren)

Gewone boomwrat (Lycogala epidendrum, Uithuizen)
Niet alle slijmzwammen zijn miniatuurtjes. Heksenboter kan een oppervlak van meer dan tien centimeter bedekken. Gewone boomwrat ("blote-billetjeszwam") en rossig buiskussen staan als kleine, lichtende bakentjes op rotte boomstammen. Iets kleiner maar nog steeds goed te vinden zijn de netpluimpjes en zilveren schijnpluimpje. Net poederige chocolade op een groen bedje van mos.

Kijk ook eens naar deze bizarre wezentjes. Ze komen overal voor een zijn ook nog eens goed te kweken (zie artikel in Natuurbericht). Hoewel vaak microscopische determinatie noodzakelijk is kunnen goede foto's een eerste hulpmiddel zijn. De pagina Myxomyceten op de website van Hannie Wijers geeft een uitstekend overzicht. Tenslotte, op Facebook heeft een internationale groep slijmzwam deskundigen zich verenigt die altijd hulp kan bieden bij determinatie vragen.
Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...