donderdag 17 april 2014

Zweefvliegen, bijzondere bloembezoekers

Snorzweefvlieg (Episyrphus balteatus), mannetje
Stil hangen ze voor een bloem, zacht zoemen snel fladderende vleugeltjes, kopjes draaien spiedend rond. Dan een snelle landing en met een rietje wordt de nectar naar binnen gezogen. Alle voorzichtigheid lijkt verdwenen, steeds verder duiken ze naar binnen om maar niets te missen.
Gele kommazweefvlieg (Eupeodes latifasciatus), vrouwtje

Zweefvliegen lijken soms afschrikwekkend veel op hommels, bijen of wespen. En dat is ook de bedoeling. Als larf hebben ze vaak nog kaken waarmee luizen gekraakt kunnen worden. Maar eenmaal volwassen dan is snelheid hun enige wapen. Hun camouflage werkt trouwens alleen bij een eerste aanblik. Sta je er bij stil dan blijkt dat er een paar vleugels mist, net als bij alle vliegen is het tweede vleugelpaar vervangen door een soort haltertje, een evenwichtsorgaan. Angels zijn afwezig en hun gebit hebben ze ingeruild voor een "zuigslurfje".

Grote Langlijf (Sphaerophoria scripta), mannetje

Langlijf  (Sphaerophoria sp.), vrouwtje

Met de publicatie van de digitale "Fotogids Zweefvliegen" is het op naam brengen van deze prachtige vliegen iets eenvoudiger geworden. Als het diertje letterlijk al gevlogen is en er alleen nog een foto rest is het wel zaak om zoveel mogelijk details zichtbaar te krijgen. Aderpatronen in de vleugel, tekening van borststuk, achterlijf en pootjes maar ook de kop recht van voren is nodig om verder te komen dan alleen de grote groepen. Maar ook dan zal het soms onvermijdelijk zijn om de tabellen en handboeken uit de kast te halen. Enkele heren langlijven (Sphaerophoria) zijn nog van een foto te determineren maar voor alle dames moet het dier volledig onderzocht worden om achter de soortnaam te komen. Het verschil tussen het vrouwelijk en mannelijk geslacht is bij de meeste zweefvliegen trouwens eenvoudig te zien. De dames hebben een fors voorhoofd tussen beide ogen en bij de heren raken beide ogen elkaar bovenop de kop.

Hommelbijvlieg (Eristalis intricaria), vrouwtje

Blinde bij (Eristalis nemorum), vrouwtje

Bosbijvlieg (Eristalis hortorum), vrouwtje

Pendelvlieg (Helophilus pendulus), vrouwtje

Citroenpendelvlieg (Helophilus trivittatus)
Afgelopen jaar hebben we zoveel mogelijk soorten zweefvliegen proberen te fotograferen. Tijd om te determineren was er nauwelijks en dat heeft geresulteerd in een grote map nog op naam te brengen beestjes. De meeste daarvan behoren bij de Bijvliegen (Eristalis sp.) en de Pendelvliegen (Helophilus sp.). In elke tuin te vinden en op planten als Guldenroede soms in enorme aantallen. Mijn favoriet is de Hommelbijvlieg (Eristalis intricaria). Vooral de dames lijken met hun witte achterlijfsbeharing bedriegelijk op een wat klein uitgevallen Aardhommel. De Blinde bij (Eristalis nemorum) heeft meer weg van een honingbij, donker gekleurd en een paar vaag oranje vlekken op het tweede achterlijfsegment. Bij de Bosbijvlieg (Eristalis horticola) zijn deze vlekken veel duidelijker en is er op de vleugels een donkere zigzagstreep te ontdekken. Van de Pendelvliegen bestaan er minder soorten maar het blijft goed opletten om de Gewone (Helophilus pendulus) te onderscheiden van de andere. Het draait hier vooral om de kleur van de achterste pootjes.

Gele veenzweefvlieg (Sericomyia silentis)

Gewone driehoeksvlieg (Mellinostoma mellinum), mannetje

Halvemaanvlieg (Scaeva pyrastri), mannetje

Ongericht foto's maken van alle passerende zweefvliegjes levert natuurlijk ook altijd wat leuks op. De Gele Veenzweefvlieg (Sericomyia silentis) bijvoorbeeld. Een forse, behaarde vlieg met een zwart glanzend borststuk en een gele bandering op het achterlijf. Hiermee vergeleken is de Gewone driehoekszweefvlieg (Mellinostoma mellinum) maar een kleintje. Grappig is dat de dames van deze soort kiezen voor een tenue met driehoekige vlekken op het achterlijf terwijl de heren meer van rechthoekig houden. Tenslotte de Witte halvemaanzweefvlieg (Scaeva pyrastri), ook een algemene soort maar zeer opvallend met zijn witte vlekken die gekromd naar boven uitgevoerd zijn.

Zweefvliegen, bijzondere bloembezoekers en de moeite waard om er eens een camera op te richten.

zaterdag 5 april 2014

Friese stinzenpracht

Jongemastate, Rauwerd
Stoer en ongenaakbaar, Friese kleiklonten, strakke lijnen van eenzame boerderijen en een eenzame kerktoren die een vermanende vinger vanaf een terp de lucht insteekt. Dan draai je van de weg naar Sneek af en sta je voor de oude toegangspoort van de Jongemastate. Daarachter het mooiste bloementapijt ooit denkbaar. Zachtroze, gele spikkels, groen gebladerte.
 Het is voorjaar, de fleurige erfenis van de Friese landadel steekt opnieuw haar kop boven de grond. Letterlijk elke beschikbare centimeter vruchtbare grond is bedekt met bloemen. Lang geleden zijn ze eens meegenomen van verre reizen of als geschenk van machtige buren gekregen. Vertroeteld met compost, paardenmest, beukenblad of afval van de winning van eikenschors kregen ze vaste voet onder de grond. Net als thuis bloeien ze in het vroege voorjaar als de parkbossen nog kaal zijn. Terwijl landheren kwamen en gingen bleven zij als vaste voorjaarsgroet aanwezig.

Vingerhelmbloem, de meest algemene Friese stinzenplant

Holwortel


Bostulp

Martenahuis, Franeker
Er zijn tientallen mogelijkheden om in Fryslân een stinzenroute te rijden. Onze start is is in Rauwerd (Raerd) op de Jongema State. De bewoners zijn al lang geleden weggetrokken, het huis is gesloopt en alleen een statige poort herinnert nog aan het roemruchte verleden. Daarachter wordt de stilte alleen verstoord door rumoerige roeken en een zingende Tjiftjaf. Maar bezoekers hebben begin april geen oog voor deze gevederde gasten. Waar je ook kijkt, alles is bedekt met bloemen. Het inheemse Speenkruid doet dapper zijn best om vanuit de slootkanten omhoog te kruipen maar ze leggen het af tegen de Vingerhelmbloem. Zijn directe familielid, de Holwortel, staat er wel maar ondanks zijn forsere postuur toch minder algemeen. Daartussen staan de echte kostbaarheden van de landheren. Keizerskroon, Italiaanse aronskelk en het juweeltje van de Friese stinzenplanten: de Bostulp. Bijna zedig blijven de bloemen gesloten, een enkele durft het aan om een slip van haar rok even op te tillen.

Stinzenplantentapijt met Holwortel en Bostulp

Breedbladig longkruid

Zomerklokje

De tweede stop is het Martenahuis in de oude universiteitsstad Franeker. Een klein Renaissance paleisje, eens bedoeld als domicilie voor het belangrijke werk. Wonen en ontspannen deden ze op hun eigen state. De huidige beheerders van de bijzondere tuin van het Martenahuis zijn verder gegaan met de oude stinzenplanten traditie. Wat was wordt gekoesterd, wat nieuw is en past wordt binnengehaald. Honderden Bostulpen staan er maar ook Zomerklokjes. Blauwe anemonen strijden om de aandacht naast de Gele anemonen. Maar ook hier wordt het aspect vooral bepaald door letterlijk duizenden bloemen van de Voorjaarshelmbloem.

Poptaslot, Marssum

In Marssum ligt het Poptaslot. Hoewel de tuinen niet of beperkt toegankelijk zijn is een wandeling om het slot, als een korte stop op weg naar de Dekemastate, bijzonder aan te raden.

Dekemastate, droompaleisje in Jelsum

Bostulp
Knikkende vogelmelk
Topper op elke stinzenplantentocht is de Dekemastate (Jelsum). Voor je voeten een zee van Bostulpen, daarachter een werkelijkheid geworden droompaleisje. Je hoort bijna het ruisen van een hoepeljurk als Juliana Houth in 1850 door haar tuin loopt, achter haar het net verbouwde huis waar haar kinderen spelen op het pleintje voor de brug. Haar uitzicht over dit bijzondere lusthof is nauwelijks veranderd, wat was is nog steeds te bewonderen. Knikkende Vogelmelk meldt zich hier als bijzondere stinzenplant, niet één maar honderden.

Martenstate, Cornjum
Haarlems klokkenspel, een bijzondere hybride uit een lang verleden

Voor het Haarlems Klokkenspel moet de koers gericht worden op de enkele kilometers noordelijk gelegen Martenstate (Cornjum). Met zorg en liefde is deze oeroude cultivar van Knolsteenbreek gekweekt, op veel stinzen uitgeplant en vervolgens weer verdwenen. Op mijn tocht was ik net te vroeg om de eerste knopjes open te zien gaan maar dat het goed gaat met dit bijzondere plantje bleek wel aan de vierkante meter blaadjes.

Friese stinzenpracht, herinnerend aan een rijk verleden en begin april op z'n mooist.

Meer informatie: Stinzenflora Fryslân.

maandag 31 maart 2014

Zespotig in maart

Boomhommel
Zaterdag 29 maart. De zon zweept de temperatuur op tot een weldadige warmte. Geuren van Skimmia, Stermagnolia en Peperboompje vermengen zich tot een bedwelmend parfum. Hommels brommen, zweefvliegen zoemen, bijtjes snoepen en een grasvlieg geniet van de zon.

Gewone franjegroefbij op Skimmia

Grasvlieg, nauwelijks 3 millimeter groot en zonnend op een Magnolia bloemblad

Grasvlieg, met reeds zoemende vleugels klaar om weg te vliegen
Grasvlieg? Tot vandaag had ik, ondanks vijf lange decennia natuur genieten, nog nooit van dit slechts 3 mm kleine vliegje gehoord. De eerste indruk is een veel te kleine zweefvlieg. Geel-zwart gestreept achterlijfje en een borststuk als een pyama zweefvlieg. Maar kijk eens naar de vleugels. Nauwelijks aders te bekennen en zeker geen "valse ader" (vena spuria) evenwijdig aan de middelste ader. Grasvliegen zijn overal in het noordelijk halfrond algemeen. Als larf leven ze van wortelluizen terwijl de volwassen vliegjes nectarsnoepers zijn. Op de Engelse versie van Wikipedia staat een bijzonder leuk filmpje van een mannetje Grasvlieg die bezig is om met wapperende vleugels lokstoffen voor zijn gewenste damesbezoek te verspreiden .

Dansmug

Nog een zonaanbidder is meneer Dansmug. Zijn parelmoer glanzende vleugels zijn te klein om zijn lange achterlijf te kunnen verbergen. Grote, geveerde sprieten verraden dat het een heer is en geen dame. Waarschijnlijk is hij wat eerder uit onze regenton gekropen en kan hij zich in alle rust voorbereiden op het grote ballet. Een aantal jaren geleden had ik al eens een ver familielid van hem aan de haak geslagen tijdens een speurtocht over de drabbige bodem van genoemde ton. Rood, geleed en vooral wormachtig kronkelend. Samen met een enkele steekmuglarf en zwart-witte motmuglarfjes hadden ze het duidelijk naar hun zin in de drijfnatte rottende bladermassa.

Grijze zandbij

Grote Zijdebij

Gewone wespbij


De volgende dag is het nog warmer. Tijd om eens te gaan kijken op de Gasterse Duinen naar zespotige bedrijvigheid. Vooral rond het hunebed, maar eigenlijk overal waar maar kaal zand te vinden is, is een krioelende en zoemende massa bijen te zien. Vooral Grijze Zandbij, gestoken in stemmig grijs, maar met iets meer zoeken ook Grote Zijdebijen. Tientallen, honderden pakketjes wilgenstuifmeel verdwijnt in de diepte als voer voor het toekomstige kroost. Roodlijvige Bloedbijen en geel-zwarte Wespbijen cirkelen bijna ongedurig rond, wachtend op hun beurt om als volleerde piraten de nesten binnen te vallen. Even er in, hup een ei op het verse stuifmeel en weer weg wezen voordat de eigenaresse terug komt.

Spinnendoder

Ver buiten de bijenkolonies heeft een ander insect een dansvloer "aangelegd". Aanvliegen, stukje rennen en dan met de donkere vleugels wapperen. Verleidelijke, alleen voor zijn partner herkenbare, geuren worden de lucht ingeblazen. Het is een Spinnendoder op vrijersvoeten. Deze graafwesp is in tegenstelling tot de bijen vorig jaar al verpopt en heeft als volwassen insect de winter doorgebracht. Op het moment dat kleine wolfspinnen overal beginnen rond te lopen slaan ze toe. Eén verlammende steek is voldoende om elk verzet te breken. Na wat sleepwerk verdwijnt het spinnetje vervolgens als levend voer in de ondergrondse broedkamer.

Bosbesuil

Voorjaarskortvleugelmot

Als afsluiting van dit bijzondere weekend wordt de nachtvlinderlamp nog even opgehangen in de tuin. Voor de massale vlucht van de Kleine Voorjaarsuil is het nog net iets te vroeg maar met een mooie Bosbesuil, een Variabele Eikenuil en een Zwartkamdwergspanner ben ik ook tevreden. Een heer Voorjaarskortvleugelmot komt nog even langs voordat mist als een klamme deken uitgerold wordt. Zijn dame zal hij niet vinden bij de lamp, ze is gedoemd om haar korte leventje op één boomstam door te brengen. Vliegen kan ze niet en ze moet maar afwachten wie langs wil komen voor de noodzakelijke bevruchting van haar eitjes.

Insecten in maart, heerlijk om naar te kijken en van te genieten.




zaterdag 15 maart 2014

Modderig leven in Moddergat

Modder in Moddergat, laag water op het Wad
Moddergat, een betere naam voor dit gehucht aan de Noordfriese kust is nauwelijks denkbaar. Achter de dijk dommelen enkele kleine huisjes in de zon, voor de dijk een eindeloze modderige vlakte. Rotganzen vliegen rondjes, tureluurs stappen tevreden rond in de prut en het slik blaast belletjes terwijl het water zich nog verder terugtrekt.

Moddergat, een streekdorp langs de zeedijk

Wadvlakte achter de dijk met een vervallen strekdam
Moddergat was eens een bruisend vissersdorp maar zou nooit meer herstellen van de grote ramp in 1883. Van de 22 trotse schepen kwamen er 18 nooit meer terug na een vliegende storm. Tot overmaat van ramp verschoof de vaargeul steeds verder naar het westen, Moddergat werd een vissersdorp zonder haven en zonder vissers. Forenzen en toeristen kwamen er voor in de plaats, genietend van prachtig gerestaureerde huisjes, het museum en vooral het fenomenale uitzicht over het wad.

Wadslakjes

"Weiland" van Kiezelwieren, er op grazende Wadslakjes

Kiezelwier (diatomee), 200 x
Mijn aandacht gaat echter richting het slik. Wat leeft er in, op en van de modder in Moddergat. Direct onder aan de dijk ligt het antwoord letterlijk voor het oprapen. Achtergelaten door de vloedstroom zakken de laarzen weg in een centimeters dik pakket schelpjes. Het zijn minuscule Wadslakjes geweest. Miljoenen diertjes, slechts 5 millimeter groot, die al grazend over en door het slik zijn gekropen. Ze zijn niet geïnteresseerd in zeekraal of zeewier. Zij gaan voor kiezelwieren. Als bruine mat zichtbaar op het drooggevallen slik. Pas met hulp van een microscoop is te zien dat het miniatuurtjes in een rechthoekige of puntige vorm zijn. Twee kiezelschaaltjes en daarbinnen het celplasma en organellen waarin de slak geïnteresseerd is.

Muiltje, bovenzijde

Muiltje, onderzijde, er in een klein Wadslakje

In het schelpengruis ligt een restant van een tweede grazer, een reus vergeleken met de Wadslakjes. Het is een Muiltje, een forse slak met een mutsvormig huis die alleen gewonden is aan de top. Aan de onderkant is een halfgesloten witte plaat zichtbaar als afsluiting van de schelp. Deze dieren zakken weg in het zachte slik van Moddergat, zij zoeken een wat steviger bodem als "weiland". Vermoedelijk is deze schelp door de stroming meegesleept en hier achter gelaten.

Bont gekleurde Nonnetjes

Kokkels

Platte slijkgaper

Tussen de Wadslakjes en overal in het slik verborgen liggen grotere schelpen van filteraars. Bont gekleurde Nonnetjes, gegroefde Kokkels en gladde schelpen van Platte Slijksgapers. Toen ze nog leefden zaten ze net onder de wadbodem verborgen. Met een inlaatsiphon als stofzuigerslang werd water naar binnen gehaald, gefilterd en zonder organische deeltjes weer naar buiten geblazen. Scholeksters, Strandlopers, Wulpen en Tureluurs zijn verzot op deze schelpdiertjes.

Oude strekdam, Moddergat

Mossel met zeepokken en Kokkels

Japanse oester

Vanaf de kust bij Moddergat steken kleine dammetjes van houten palen de zee in. Eens gebruikt om kwelders te beschermen tegen te sterke stroming of nieuw land te winnen zijn ze nu overgeleverd aan de tand des tijds. Verweerd, verbleekt en overal "begroeid" met Mossels en Japanse Oesters. Ook zij zijn filteraars maar leven niet ingegraven in het slik. Vastgehecht aan hout, stenen of elkaar kunnen ze stromend water uitstekend de baas en zijn daarmee verzekerd van een dagelijkse portie vers voedsel.

Modder in Moddergat, zelfs een monsterpotje wordt opgeslokt door het slik

Modder in Moddergat, leven in de prut. Voor een bioloog een bijzondere uitdaging.


Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...