vrijdag 11 juli 2014

Alpennatuur rond de Gürgaletsch


Weisshorn, eens een zeebodem en nu op 2653 meter
Waar eens de eindeloze Tethys Oceaan doorkliefd werd door de Mosasaurus verheft zich nu de Weisshorn en de Gürgaletsch. Oceaanbodem verkreukeld en opgestuwd tot boven de 2000 meter, de Mosasaurus opgevolgd door een trage Hazelworm.







"Alpennatuur" is voor twee weken het thema van Wandel en Skihotel Gürgaletsch (Tschiertschen, CH). Nog geen half jaar geleden verhuisde het team van Hotel Alpina naar dit nieuwe, knusse Zwitserse huis midden in het dorp Tschiertschen. Alles straalt de vertrouwde Alpina sfeer uit. Warme gezelligheid, heerlijk eten van kok Remco en elke dag weer een bijzondere wandeling. Met de blik naar boven richting top of samen met de excursiebegeleider van Natuurpresentaties (zakelijk partner van hotel Gürgaletsch) op zoek naar orchideeën, vlinders of versteende souvenirs uit het verre verleden.

Tschiertschen met rechts naast de kerk Wandel en Skihotel Gürgaletsch

Alpenlandsalamanders in innige omhelzing
Bosooievaarsbek, Tschiertschen

Bosorchis, Tschiertschen

Tschiertschen lijkt met zijn vingernagels aan de steile wand van de Plessur te hangen. Diep ingesneden in een oeroud gletscherdal, oostelijk van Chur. Zwitserse geranium huisjes worden omgeven door kleine hooilanden die abrupt overgaan in zware lariks en sparrenbossen. Overal kruipen Alpenlandsalamanders als vreemde aliens rond. Af en toe schuilen ze onder paarse Bosorchissen of boeketten Bosooievaarsbek.

Vrouwenschoentje, Tschiertschen

Vogelnestorchis, Tschiertschen
Voor floristen is de omgeving van Tschiertschen een paradijs. Alles is bijna op loopafstand te bereiken, van velden vol Trollius en Rhaponticum tot de Gletsjerboterbloemen rond de Urdensee. Velen komen echter vooral voor de  bijna complete verzameling Zwitserse orchideeën. Met Vrouwenschoentje als absolute reus,  Groene Nachtorchis als dwergje en Vogelnestorchis als meest bizarre bloem. Rode Bosvogeltjes blijken bermplanten bij Pagig te zijn. Welriekende en Grote Muggenorchis staan naast elkaar en zijn zo uitstekend te vergelijken.

Grote IJsvogelvlinder, Tschiertschen

Grote Weerschijnvlinder, Tschiertschen

Zilvervlek, één van de vele soorten Parelmoervlinders rond Tschiertschen

Zodra de zon verschijnt zorgen honderden vlinders voor een kleurrijk schouwspel. Grote IJsvogelvlinders zitten rustig op een bospad te genieten van een mineraalrijk hapje. Grote Weerschijnvlinders stappen, nog half in slaap, vol vertrouwen over op een uitgestoken vinger. En overal dartelt een vlinderboek vol Parelmoersoorten en Blauwtjes over het pad. Steeds weer moet er een kleurige fladderaar beslopen worden om zowel de onder- als de bovenkant te kunnen fotograferen.

Landschap onder de Schwarzhorn

Urdensee
Het heerlijke van Alpennatuur is dat na geconcentreerd kijken naar vogels, vlinders of vederdistels er altijd weer een uitzicht is om van te genieten. Scherp afgetekende toppen met sporen van de gewelddadige botsing tussen twee continenten, het blauwe oog van een verstild bergmeertje en eindeloze bloemenweiden.

Tschiertschen, elk jaargetijde weer verrassend bijzonder. Stap bijvoorbeeld in september in de bus van Den Bosch naar wandelhotel Gürgaletsch. Even sfeer proeven? Kijk dan eens op "Septemberpracht".


woensdag 21 mei 2014

Vlinders uit een zakje


Kleine Reuzenzakdrager (Canephora hirsuta), Hoge Veluwe
Vraag een willekeurige passant om eens een vlinder te beschrijven en de meest kleurrijke superlatieven fladderen door de lucht. Vrijwel altijd gaat het over dagvlinders, een  bonte stoet van schubvleugelige bloembezoekers. Van gele Citroen tot helderblauwe Vogelvlinders in het tropisch regenwoud. Mijn aandacht gaat vandaag echter naar een veel bescheidener groep. Vlinders die een groot deel van hun leven zich verstoppen in een zelfgemaakte zak. Maar ook over mannetjes die hun kans grijpen als een niets vermoedend vrouwtje voor het eerst uit haar poppenwieg kijkt.
Iepenkokermot, Lauwersmeer

Kokermot sp., Hunze

Slanke Wilgenkokermot

In Nederland kennen we twee vlinderfamilies die kiezen voor een eigen verpakking tijdens hun kwetsbare rupsenstadium. Kokermotten zijn miniatuurtjes die genoeg hebben aan een paar vierkante millimeter blad om hun achterste segmenten in te stoppen. Hun kaakjes knagen vanuit deze beschutting een gaatje in de boven- of onderkant van een blad om zich te voeden met sappige plantenweefsel. Na verpopping kiezen ze het luchtruim op zoek naar een geschikte partner. Eten doen ze als volwassen vlinder niet, het gaat puur om voortplanting. Soms komen ze even langs op een vlinderlaken of verlicht raam. De vleugels worden dan dakpansgewijs opgevouwen en de lange sprieten gaan recht naar voren in ruststand. Determinatie van deze kleine fladderaars is feitelijk voorbehouden aan specialisten, alleen als rups is het merendeel van de soorten op naam te brengen. Soms alleen al door hun voedselplant maar ook vaak door de vorm van hun kokers.

Kleine Reuzenkokermot (Canephora hirsuta), Hoge Veluwe
Zandzakdrager (Dahlica triquetrella), Haren

Sierlijke Zakdrager (Proutia betulina), Haren

Gewone Zakdrager (Psyche casta), Haren
Zakdragers (Psychidae) zijn een stuk groter, aan de andere kant van het Kanaal worden ze wat oneerbiedig "Bagworms" genoemd. Maar eigenlijk hebben ze wel gelijk, als rups zij het net wormen in een zakje. Geen "puut" van de plank maar unieke creaties van zand, stro, takjes of bladfragmenten volgens een strak gedefinieerd bouwplan. Wordt je geboren als Zandzakdrager dan is gebruik van hout uitgesloten. En de Gewone Zakdrager moet het doen met weerbarstige strootjes. Als Kleine Reuzenzakdrager heb je het gelukkig wat gemakkelijker. Grijp wat voor je kaken ligt en verwerk dat tot een veilig huis. Enige bescherming is ook wel nodig want het zijn actieve beestje die heel wat meters afleggen op zoek naar een smakelijke hap. Sommigen genieten van een verse alg of paddenstoel maar veel van de 25 Nederlandse soorten zijn echte omnivoren. Of het van plantaardige oorsprong is of een overleden mug, alles gaat in gemalen vorm naar binnen. Op hun beurt worden zij weer gegeten door bijvoorbeeld mieren, een enkele vogel en in tropisch Afrika zelfs door mensen.

Grote Reuzenzakdrager (Pachythelia villosella), Hoge Veluwe

Sigaarzakdrager (Taleporia tubulosa) met restanten pophuid, Appelscha

Knopzakdrager (Baucotia lacustrella), Paterswolde

Zakdragers gaan uiterst efficiënt met hun zak om. Steeds wordt er wat aangebouwd en zelfs het verpoppen gebeurt gewoon thuis. Daarna begint het meest bijzondere deel van hun leven. Als je als heer Zakdrager op de wereld gekomen bent krijg je twee paar vleugels mee. Meestal donker gekleurd en in rust als een kingsize dakpan boven hun lijf opgevouwen. De dames komen nauwelijks uit hun cocon. Vaak staan de heren al klaar voor de daad als ze nog maar enkele minuten uit hun pophuid gekropen zijn. Dat gebeurt vaak in de vroege ochtend wanneer ze het meest actief zijn. Vervolgens worden de eitjes afgezet en is het gedaan met het leven van de jonge vrouwen. De Grote Reuzenzakdrager heeft echter een ingenieuze oplossing bedacht om de eitjes te verspreiden. Volgens Sterling en Parsons ("Micro Lepidoptera of Great Britain and Ireland"). Zij lijkt sprekend op een vliegenmade en laat zich met genoegen opeten door vogels of hagedissen. Terwijl haar lijfje verteerd blijven de eitjes gespaard in het darmkanaal en worden met andere resten weer uitgescheiden. Hoe bizar kan het zijn!

Graszakdrager (Epichnopteryx plumella) , Planken Wambuis

Vlinders in zakken zijn met de mooie site "Microlepidoptera" redelijk snel op naam te brengen. Kleinere soorten en jonge zakjes blijven echter lastig. Een goede hulp is altijd de vindplaats. De Gewone Zakdrager is bijna overal wel te vinden maar de lange zakken van de Sigaarzakdrager zijn echte boomliefhebbers. En voor beide Reuzenzakdragers is heide een perfect biotoop. Ga er eens naar op zoek, heb je er eenmaal één gevonden dan wil je ze graag allemaal gezien hebben.


zaterdag 10 mei 2014

Waterbiezen, bijzondere planten

Gewone Waterbies  (Kardinge, Groningen)
Als wekelijks columnist van het Harener Weekblad krijg ik geregeld verzoeken voor bijzondere groene onderwerpen. Maar vandaag bracht de digitale post een geheel andere vraag: schrijf eens een blog over Waterbiezen. Groen, grasachtig en voor beginnend floristen vaak lastige soorten. De vraag kwam niet helemaal uit de grijze lucht vallen. Het begon met een tweet rond de start van de door Natuurpresentaties gegeven Groen en Doen cursus "Flora Gevorderd" in Haren waarin Waterbies letterlijk voor het voetlicht gezet werd. Hun "tweetmaster" liep er een paar dagen mee rond en vandaag kwam het hoge woord er uit: "ik wil er meer van weten".

Scherpe Zegge (Haren)

Zandzegge (Havelte)

Mattenbies (Orvelte)

Waterbiezen behoren tot een grote familie van grasachtige planten, de Cypergrassen (Cyperaceae). Meest bekend hiervan zijn de Zegges met hun driekantige stengels en vrijwel altijd eenslachtige bloemen. Grote pollen sieren slootkanten maar ook kunnen ze op gortdroge zandverstuivingen en duinen uitstekend uit de voeten. Veenpluis en Eenarig Wollegras zijn zeker in Oost-Nederland even bekend. Vroeg in het voorjaar bloeiend en daarna voorzien van een feestelijke witte pluim. Mattenbies, bekend als grondstof voor biezen stoelbekleding, behoort samen met Galigaan tot de werkelijke reuzen van deze plantengroep. Van modderige bodem tot stengeltop meten ze soms meer dan twee meter.

Links Waterbies, rechts Veenbies (onbekende flora, Wikipedia)

Veenbies (Zeegse)

Gewone Waterbies (Bentheim)

Waterbiezen hebben afscheid genomen van alles wat ze wel konden missen. Een bladschijf bijvoorbeeld. Alleen aan de stengelvoet zitten nog een paar bruine tot dieprode bladschedes.Dit is ook meteen het verschil met Veenbies die nog één bladschijfje heeft. Bloeien doen ze uitbundig maar ook weer met bijna niets. Geen bloemkroon of kelk, gewoon een paar miniatuur borsteltjes onder aan het vruchtbeginsel.

Gewone Waterbies (foto Wikipedia)

Slanke Waterbies (Schiermonnikoog)

Naaldwaterbies (Drents Friese Wold)

Wereldwijd zijn er ruim honderdijftig soorten Waterbies. In Nederland moeten we het doen met slechts zes. Drie hiervan zijn vrij zeldzaam tot uiterst zeldzaam (Eivormige Waterbies). Meest algemeen is de Gewone Waterbies, overal in onze klei- en laagveengebieden is deze soort wel te vinden langs slootkanten. Dankzij een kruipende wortelstok staat bijna niets een ongeremde groei in de weg. In de duinen kan gezocht worden naar de Slanke Waterbies. Bijna identiek maar let eens op het aartje. Het onderste, lege en dus steriele, kafje omsluit bij de Slanke Waterbies de steel als een manchet. Bij de Gewone Waterbies liggen er twee, eveneens steriele, kafjes tegen de onderkant van de aar aan. Oevers van vennen maar ook op open rivierklei zijn plaatsen om uit te kijken naar Naaldwaterbies. De vierkante stengel geeft direct zijn identiteit prijs, alle andere soorten zijn rolrond.

Veelstengelige Waterbies (bron: http://erick.dronnet.free.fr/) 

Waterbiezen gedragen zich als bijzondere pioniers. Kiemend op kale, natte blubber en dan vervolgens heel lang stand houdend. Veelstengelige Waterbies gebruikt daarvoor een wel heel bijzondere techniek. Na de bloei buigt het aartje devoot het hoofd. Zodra het water of een waterverzadigde bodem geraakt wordt lijkt de plant wakker te worden en het aartje groeit uit tot een nieuwe plant. Zonder de wortelstok van de Gewone Waterbies kunnen zo letterlijk meters afgelegd worden. Deze strategie blijkt buitengewoon succesvol om bijvoorbeeld oprukkende Knolrus voor te blijven.

Determineren van Waterbiezen is niet echt moeilijk, het is een kwestie van goed kijken en gewoon proberen. Zonder woorden vertellen ze elk een bijzonder verhaal over waterkwaliteit en ecologische kwaliteit van onze natuur.

donderdag 1 mei 2014

Kleine beestjes

Landkaartje
De Oosterpolder bij Haren, lang geleden behorend bij het onmetelijke moeras van het Gorecht in de bovenloop van de Hunze. Nu is het een uitloopgebied van een onder architectuur gebouwde wijk waar Blauwborst en Sprinkhaanzanger zich uitstekend thuis voelen. Samen met KNNV Groningen gaan we echter eens op zoek naar het kleine grut.Vliegend, kruipend of sluipend, alles is interessant.



Weidevlekoog

Boven de opkomende brandnetels fladderen Landkaartjes in voorjaarskleed. Uit hun eitjes zullen geen oranje vlinders komen maar zwarte zomergenieters. Op hun beurt leggen zij weer eitjes voor het komend jaar die na een koele overwintering uitkomen als, je raad het al, oranje fladderaars. Veel kleiner zijn rondvliegende Weidevlekogen. Wat plompe, donker gekleurde zweefvliegen met een opvallende bonte tekening op beide ogen.

Zuringspitsmuisje, Apion haematodes

Snuitkevertje

Hennepnetelhaan, Chrysolina fastuosa

Moertje, Chrysolina polita

Forse ridderzuring planten blijken bezoek te hebben gekregen van minuscule snuitkevers. Zuringspitsmuisjes worden ze wel genoemd. Een zwarte versie is niet op naam te krijgen maar de rode, snelle renners kunnen benoemd worden als Apion haematodes. Hun snuit is geknikt en de beide wangetjes zijn opvallend glad. Terwijl de focus helemaal op deze, slechts een paar millimeter kleine, kevers is gericht stapt een bonte reus traag stappend in beeld. De bont gekleurde hennepnetelhaan is met bijna zeven millimeter meer dan drie keer zo groot en dan is het wel even focussen om het beeld goed te krijgen. Vroeg in het jaar staat brandnetel op zijn menu, later stapt hij over op dovenetel en hennepnetel. Iets verder staat een familielid, het Moertje, diepzinnig te staren naar zijn prikkelende maaltijd. Met roodbruine dekschilden en een zwarte kop is het beestje direct te onderscheiden van het andere "goudhaantje".

Kleine Beer

Aan de waterkant hangt een beetje natte Kleine Beer gevaarlijk dicht bij de waterspiegel. Kakelvers uit de pop is de vlinder in een grasspriet geklommen om eens goed uit te harden maar het geringste zuchtje wind kan leiden tot een fatale duik. Zodra de zon onder is zal deze mooie nachtvlinder op de wieken gaan richting een slok en een betere plek.

Barnsteenslak

Egelwegslak, Arion intermedius

Barnsteenslakken zijn overal aanwezig. Met hun bijna doorzichtige en gewonden huisjes zijn ze goed te herkennen. Raspend en slijpend trekken ze diepe sporen over het jonge groen. Onder een plank schuilt een Egelwegslak. Een glibberige knaap voorzien van een pukkelig velletje. Door alle aandacht ontwaakt het diertje, rekt zich uit en krijgt weer een bijna glad huidje.

Brandnetelmotje, Anthophila fabriciana

Groene schijnboktor, Oedemera virescens

Paardebloem en Pinksterbloem zijn in trek bij enkele bijzondere gasten. Het Brandnetelmotje is een klein, bruin vlindertje met afgeronde vleugeltjes voorzien van een onopvallend wit streepje. Alsof er een slobber wedstrijd begonnen is rent elk vlindertje over de bloem, even drinken en hup weer verder. Binnen een minuut staan ze meerdere keren letterlijk op hun kop te genieten van verse nectar. Op de Pinksterbloem zit een dikpotig kevertje: de groene Schijnboktor. In zijn eerste levensdagen komt hij aan zijn voedsel door te boren in Kruiskruid. Na de verpopping verandert de larf in een prachtige groene kever die leeft van stuifmeel.

Met deze KNNV excursie blijkt niet alleen hoe rijk het gebied is maar ook hoeveel je ziet als je met meer mensen eens gericht gaat zoeken.

donderdag 17 april 2014

Zweefvliegen, bijzondere bloembezoekers

Snorzweefvlieg (Episyrphus balteatus), mannetje
Stil hangen ze voor een bloem, zacht zoemen snel fladderende vleugeltjes, kopjes draaien spiedend rond. Dan een snelle landing en met een rietje wordt de nectar naar binnen gezogen. Alle voorzichtigheid lijkt verdwenen, steeds verder duiken ze naar binnen om maar niets te missen.
Gele kommazweefvlieg (Eupeodes latifasciatus), vrouwtje

Zweefvliegen lijken soms afschrikwekkend veel op hommels, bijen of wespen. En dat is ook de bedoeling. Als larf hebben ze vaak nog kaken waarmee luizen gekraakt kunnen worden. Maar eenmaal volwassen dan is snelheid hun enige wapen. Hun camouflage werkt trouwens alleen bij een eerste aanblik. Sta je er bij stil dan blijkt dat er een paar vleugels mist, net als bij alle vliegen is het tweede vleugelpaar vervangen door een soort haltertje, een evenwichtsorgaan. Angels zijn afwezig en hun gebit hebben ze ingeruild voor een "zuigslurfje".

Grote Langlijf (Sphaerophoria scripta), mannetje

Langlijf  (Sphaerophoria sp.), vrouwtje

Met de publicatie van de digitale "Fotogids Zweefvliegen" is het op naam brengen van deze prachtige vliegen iets eenvoudiger geworden. Als het diertje letterlijk al gevlogen is en er alleen nog een foto rest is het wel zaak om zoveel mogelijk details zichtbaar te krijgen. Aderpatronen in de vleugel, tekening van borststuk, achterlijf en pootjes maar ook de kop recht van voren is nodig om verder te komen dan alleen de grote groepen. Maar ook dan zal het soms onvermijdelijk zijn om de tabellen en handboeken uit de kast te halen. Enkele heren langlijven (Sphaerophoria) zijn nog van een foto te determineren maar voor alle dames moet het dier volledig onderzocht worden om achter de soortnaam te komen. Het verschil tussen het vrouwelijk en mannelijk geslacht is bij de meeste zweefvliegen trouwens eenvoudig te zien. De dames hebben een fors voorhoofd tussen beide ogen en bij de heren raken beide ogen elkaar bovenop de kop.

Hommelbijvlieg (Eristalis intricaria), vrouwtje

Blinde bij (Eristalis nemorum), vrouwtje

Bosbijvlieg (Eristalis hortorum), vrouwtje

Pendelvlieg (Helophilus pendulus), vrouwtje

Citroenpendelvlieg (Helophilus trivittatus)
Afgelopen jaar hebben we zoveel mogelijk soorten zweefvliegen proberen te fotograferen. Tijd om te determineren was er nauwelijks en dat heeft geresulteerd in een grote map nog op naam te brengen beestjes. De meeste daarvan behoren bij de Bijvliegen (Eristalis sp.) en de Pendelvliegen (Helophilus sp.). In elke tuin te vinden en op planten als Guldenroede soms in enorme aantallen. Mijn favoriet is de Hommelbijvlieg (Eristalis intricaria). Vooral de dames lijken met hun witte achterlijfsbeharing bedriegelijk op een wat klein uitgevallen Aardhommel. De Blinde bij (Eristalis nemorum) heeft meer weg van een honingbij, donker gekleurd en een paar vaag oranje vlekken op het tweede achterlijfsegment. Bij de Bosbijvlieg (Eristalis horticola) zijn deze vlekken veel duidelijker en is er op de vleugels een donkere zigzagstreep te ontdekken. Van de Pendelvliegen bestaan er minder soorten maar het blijft goed opletten om de Gewone (Helophilus pendulus) te onderscheiden van de andere. Het draait hier vooral om de kleur van de achterste pootjes.

Gele veenzweefvlieg (Sericomyia silentis)

Gewone driehoeksvlieg (Mellinostoma mellinum), mannetje

Halvemaanvlieg (Scaeva pyrastri), mannetje

Ongericht foto's maken van alle passerende zweefvliegjes levert natuurlijk ook altijd wat leuks op. De Gele Veenzweefvlieg (Sericomyia silentis) bijvoorbeeld. Een forse, behaarde vlieg met een zwart glanzend borststuk en een gele bandering op het achterlijf. Hiermee vergeleken is de Gewone driehoekszweefvlieg (Mellinostoma mellinum) maar een kleintje. Grappig is dat de dames van deze soort kiezen voor een tenue met driehoekige vlekken op het achterlijf terwijl de heren meer van rechthoekig houden. Tenslotte de Witte halvemaanzweefvlieg (Scaeva pyrastri), ook een algemene soort maar zeer opvallend met zijn witte vlekken die gekromd naar boven uitgevoerd zijn.

Zweefvliegen, bijzondere bloembezoekers en de moeite waard om er eens een camera op te richten.
Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...