vrijdag 8 mei 2015

Roegwold, wandelen door prehistorisch oerwoud

Roegwold (Groningen), eens een oerwoud
Voorjaar in het Roegwold. Een zwoele wind waait door de drijfnatte boomkruinen. Fris groen loof siert eik, linde en iep. Op een open plek grazen oerossen en edelherten. Voortdurend waakzaam voor eventuele ongewenste belangstelling van een lynx. Niets wijst er op dat de vreemde tweebenige jagers van afgelopen zomer weer terug zullen komen.





Roegwold, 6100 jaar geleden. Enorme eiken, lindes en iepen, oerbos doorsneden door grotere en kleinere beekjes
Na 6100 jaar weer zonlicht op de stronken uit het oerbos
Ruim zesduizend jaar later is het Roegwold een verstilde herinnering in een Gronings landschap waar de horizon onbereikbaar ver is. Resten van machtige woudreuzen liggen verkrampt en stil in de modder. Geveld en verdronken in een landschap waar het water heer en meester werd. Waar de Fivel getracht heeft om het tij te keren door steeds meer water af te voeren maar uiteindelijk zelf verslagen werd door de springvloed. Dieren en mensen trokken weg om pas millennia later weer langzaam terug te keren. Wat bleef was het hout van het Roegwold. Toegedekt onder laagjes klei en veen, geconserveerd voor een toekomst die er zo anders uit zou zien.

Rechtlijnig verkaveld, Woudbloem gemodelleerd door de mens

Ruim tweeduizend jaar geleden begon de mens met het boetseren van zijn landschap. Met vallen en opstaan werd het Roegwold nieuw land. Op de horizon verschenen wierden, boerderijen, kerken. Van zilt werd het gebied weer zoet maar het bos was verdwenen. Honderden jaren werd er geboerd. Geoogst, begraasd, gemest. Steeds intensiever werd het land gebruikt. Natuur werd ingekaderd en geminimaliseerd.

Stroomgebied van de Scharmer Ae, zuidelijk deel van het Roegwold

Het Roegwold rond de loop van de oude Fivel

Tetjehorn, meest noordoostelijk deel van wat eens het natuurgebied Midden Groningen genoemd werd

Kleine plevier, Roegwold

Groene glazenmaker, Woudbloem
Voorjaar in het Roegwold. Een gloednieuw plankier leidt langs plassen in de bedding van de oer Fivel. Natuur en waterberging in een steeds natter wordende wereld zijn samengekomen en hebben 1700 hectare tussen Kolham en Schildmeer veranderd in een blauwgroene parel. De mens heeft een stapje terug gedaan maar wordt nadrukkelijk uitgenodigd om het gebied te blijven bezoeken. Zwervend door het zuidelijk deel waar de Groene Glazenmaker al jaren geniet van de krabbenscheervelden. Zittend op een bankje om te genieten van een Kleine plevier die zijn nieuwste slikveldjes aan het verkennen is. Turend over de rietvelden van Tetjehorn waar de Roerdomp bast en de Bruine Kiekendief jaagt.


Op 6 juni 2015 zal het natuurgebied Roegwold feestelijk geopend worden door de nieuwe beheerder (Staatsbosbeheer) en ondernemers uit de omgeving. Kijk voor het programma op Facebook.


woensdag 22 april 2015

Wit boeket voor dwergen

Bosanemoon, Kleibos 
Vraag een willekeurige voorbijganger welke kleur het voorjaar heeft. Groen zal zeker genoemd worden, misschien wel geel van speenkruid en dotterbloem. Maar voor wie echt goed kijkt naar de kleine plantjes zal zien dat het voorjaar wit is.








Vroegeling, Haren
Vroegeling, Haren
Het begint al met Vroegeling. Soms al begin januari, een voorzichtig rozetje tussen de tegels. Zodra de eerste zonnestralen voelbaar worden schiet het plantje in bloei en enkele dagen later is het letterlijk gebeurd. Rustig rijpen de zaadjes en de Vroegeling weet dat zijn taak er op zit. Het is volbracht, de race tegen de klok. Want daar ging het om, wie klein is moet slim zijn. Als eerste groeien en bloeien en weg zijn voor de grote jongens komen.

Zandraket, Wolfsbarge

Zandraket, Wolfsbarge

Klein Tasjeskruid, Onstwedde

Zandraket en Klein tasjeskruid doen precies hetzelfde. Niet tussen de tegels maar op los zand waar nauwelijks een plant wil kiemen. Ze zijn niet bang voor concurrentie maar wel voor de blakerende zon. Vanaf begin mei kan de temperatuur vlak bij de grond al snel oplopen tot ver over de twintig graden. En omdat water van ver moet komen is de beste tactiek om gewoon te verdwijnen. Zaadjes laten overzomeren en je nageslacht mag het volgend jaar opnieuw proberen.

Zandhoornbloem, Wolfsbarge

Vogelmuur, Haren

Winterpostelein, Haren

Zandhoornbloem wordt al iets groter maar ook hij staat in de volle zon een echte pionier te zijn. Zijn familielid Vogelmuur heeft het slimmer aangepakt. Een beetje schaduw, een beetje rijkere grond die wat minder snel uitdroogt en hij kan bijna het gehele jaar groeien en bloeien. Bescheidenheid loont is kennelijk zijn levensmotto. Dat geldt niet voor Winterpostelein. In een explosie van groen is hij even aanwezig en na de bloei is alles ook letterlijk op.

Bosanemoon, Kleibos

Het "centerpiece" van het boeket voor dwergen wordt gevormd door enkele Bosanemonen. Reusachtig groot vergeleken bij de minatuurtjes maar in gedrag precies gelijk. Als de Vroegeling al bijna uitgebloeid is en er nog geen blad aan de bomen zit wordt het hun tijd. In een ondergronds wortelstokje hebben ze net voldoende voedsel opgespaard om met de vijfde versnelling de grond uit te schieten. Soms blozend van de kou maar zodra de zon schijnt keren ze hun bloemen naar het licht. Wagenwijd open wachtend op bestuivers. Hun bladeren zijn groot genoeg om zich met wat anders bezig te houden: suikers aanmaken voor het volgend jaar.

Kleine veldkers, Haren
Grote vraag blijft uiteraard waarom al deze vroege miniatuurtjes wit zijn. Het geelbloeiende groen is zonder meer in staat om elke bij, hommel of zweefvlieg aan te trekken. Op wat kleine vliegjes na heb ik er ook zelden insecten op gezien. Zou dit betekenen dat er geen bestuiving optreedt? Dat de Vroegeling zaden maakt om te overleven? Op dezelfde manier als veel paardenbloemen planten zonder vader zijn? Het wordt een bijzondere uitdaging om daar in het komende vroege voorjaar eens een antwoord op te vinden.

zondag 29 maart 2015

Gezwam in het voorjaar

Gedrongen Mollisia
Onlangs mocht ook ik zeven kilo papier in ontvangst nemen. Met de Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe krijg je niet alleen heel veel schitterende foto's maar ook een niet opdrogende bron van inspiratie. Voor mij voldoende reden om bos en veld af te struinen naar voorjaarspaddenstoeltjes. Soms bescheiden van formaat, vaak kleiner dan een halve centimeter. Maar als je er eenmaal oog voor hebt gaat een ongekende wereld voor je open.




Zakjestrilzwam

Fopelfenbankje
Het merendeel van de grote zwammen houdt het voor gezien als de eerste vorst aan de deur klopt. Voor anderen is dat juist het moment om vruchtlichamen te gaan vormen. De gele snotterbellen van de Gele trilzwam bijvoorbeeld, overal te vinden aan eikentakken. Maar ik begin met de bizarre Zakjestrilzwam. Vooral in het laatste stadium is het een verstarde, taaie, hersenmassa zo groot als een kleine walnoot. Volgens de Tirion Paddenstoelengids is het geen echte triller maar een kernzwam. Ook het oranje gekleurde Meniezwammetje hoort daar bij. Elfenbanken blijven het gehele jaar aanwezig. Meest algemeen is het Gewone Elfenbankje maar zoek ook eens naar het Fopelfenbankje. Van boven net zo mooi gezoneerd maar aan de onderkant totaal anders. De sporen komen niet uit gaatjes maar uit gekronkelde lamellen.

Brandnetelschijfje, 0,5 mm

Mogelijk Kruidenvulkaantje. Geen punt op de top zoals Brandnetelvulkaantje, 0,5 mm

Wat dood gaat wordt gerecycled in de natuur. En dat betekent dat brandnetels bijzonder interessant worden. Spetters abrikozenjam blijken brandnetelschijfjes. En met de MP-E 65 lens worden zwarte spikkels vergroot tot de afgeronde bergtoppen van het Kruiden Vulkaantje. Twee minuscule Ascomyceten of zakjeszwammen die hun acht sporen in een envelop voorbereiden op het echte leven.

Asgrauwe schorszwam
Paarse eikenschorszwam

Raatzwammetje

Takken die al even liggen zijn nog veel interessanter. Kleurrijk paars als de Paarse eikenschorszwam of gebarsten wit als opgedroogde room van de Asgrauwe korstzwam komen beiden op eik voor. Beide zijn niet meer dan een dik vlies met wat lobben en zonder gaatjes of plaatjes. Veel fraaier is het Raatzwammetje die als een miniatuur honingraatje op eikenschors groeit.

Gedrongen mollisia, 4 mm doorsnee

Mollisia sp., op eikenhout, 4 mm doorsnee

Gewoon Franjekelkje, 3 mm hoog
Maar ik ga nu vooral voor de miniatuur bekertjes. Gewoon Franjekelkje bijvoorbeeld. Net als de zwammetjes op brandnetel een echte Ascomyceet met bekertjes van net twee millimeter groot. Langs de randen fraai gewimperd en zo teer dat aanraken niet verantwoord is. En dan zijn er letterlijk duizenden bekertjes van Mollisia soorten te vinden. Zeer lastig op naam te brengen omdat het vooral draait om sporenvorm en -grootte.

Gezellig Draadwatje, een slijmzwam en geen paddenstoel, bolletjes 3 mm doorsnede

Trentepohlia sp., een goudgeel gekleurd miniatuur groenwiertje, draadjes zijn 0,5 mm lang

Gezwam in het voorjaar levert nog veel meer op. Goed rondkijkend zijn er ook groeisels te vinden die wel op een paddenstoel lijken maar het helemaal niet zijn. Het Gezellig draadwatje bijvoorbeeld is een slijmzwam. Een deel van het jaar tevreden kruipend over hout en af en toe een bacterie opslokkend. En dan wordt het tijd om plannen te maken voor de toekomst. Sporenhouders worden gevormd en met behulp van springveren worden uiteindelijk de jonge "watjes" de wereld ingeschoten. In Boswachterij Anloo werd het helemaal bijzonder, een stukje hout was er versierd met korstmosjes, groene algjes en geel-gouden pluisjes. Geen slijmzwam, geen reguliere korstzwam maar wat zou het dan zijn? Facebook bracht uitkomst: het was Trentepohlia. Een groenwier die door een grote hoeveelheid caroteen oranje geworden is. Een aantal Trentepohlia's leeft samen met schimmels en vormt dan korstmossen, deze is echter helemaal vrij levend.

vrijdag 20 maart 2015

Mosgroen

Mosgroene wal, Huis ter Heide (Norg)
Een wandelaar ziet een bos met heel veel groen, een natuurgenieter ziet een bos met mos, een tuinman denkt direct aan kalk maar een bryoloog wordt er blij van. Mos, groen in duizend tinten, vormen en gelukkig veel minder soorten.
Gesteelde Haarmuts

Meer dan 30 jaar geleden waren mossenkenners een bijna uitstervende diersoort. Kraamkamers voor de nieuwe generatie sloten hun deuren en ik was nog net niet de laatste student die het licht mocht uitdoen. Gelukkig was bij mij de eerste spore al lang daarvoor ontkiemd. Blaadjes gekregen bij de Jeugdbond voor Natuurstudie en daarna opgroeiend bij de Bryologische Werkgroep. Toen kwam een lange periode dat alles van Beerdiertje tot Braakrussula en Bruine Vierbandspanner mij van het mossige pad af zou leiden. Maar in september mag ik mogelijk een Groen & Doen introductiecursus Mossen verzorgen. En dus wordt het tijd om met loep en camera bos en hei door te struinen op zoek naar bekende en onbekende soorten.

Moeraslevermos
Kegelmos met in de bakjes broedkorrels

Gedrongen kantmos met jonge kapsels

Gaaf buidelmos met lichtgroene bolletjes broedkorrels

Mossen hebben een respectabele leeftijd. Niemand weet precies wanneer de eerste soorten zich ontwikkelden uit Groenwieren. Het oudste fossiel is 320 miljoen jaar oud maar zeker is dat ver daarvoor al mosachtige plantjes zich op aarde bevonden. Misschien zagen ze er uit als ons Moeraslevermos van nu. Als thalleus levermos is het niet meer dan een groene flap met aan de onderzijde wat wortelachtige structuren. Geen nerf, geen stengel, alleen een glazige sporenkapselsteel met daarop een bolletje. Parapluutjesmos en Kegelmos hebben wat meer in hun mars. Een mooi patroon van ruitjes op het groen en bekertjes met stukjes mos als vorm van vegetatieve voortplanting. Veel verder ontwikkeld zijn al de bebladerde of folieuze levermossen. Duidelijke blaadjes in twee rijen langs een stengel maar nog wel hetzelfde sporenkapsel. Meest algemeen is het Gedrongen Kantmos die ook wel Platgeslagen Sinterklaasmutsmos genoemd wordt. Op bijna elke vochtige en rottende houtstomp te vinden.

Fraai Haarmos

Kussentjesmos
Haakmos

Thujamos

Mos is voor de wandelaar synoniem aan Haarmos. Ook het zo verfoeide Haakmos uit het gazon wordt nog wel als zodanig herkend. Toch zijn het twee vertegenwoordigers van verschillende groepen bladmossen. De één staat stram recht op, is nauwelijks vertakt en draagt als Topkapselmos zijn sporenkapsel fier op de top van de stengel. Haakmos daarentegen is een luie donder. Als slaapmos ligt het plantje languit en lijkt bijna verstrikt in warrige zijtakjes die alle kanten op gaan. Sporenkapsels maakt deze soort in Nederland eigenlijk nooit maar andere slaapmossen hebben hun kapsel in een rechte hoek op de stengel staand.

Gedraaid knikmos

Ruig Haarmos
Gewone gaffeltand, kapsel met peristoomtanden
Waterveenmos

Kapsels van bladmossen zijn ingenieuze doosjes die net zo lang dicht blijven tot de luchtvochtigheid precies goed is. Pas dan gaat er een rij tanden, het peristoom, open en kunnen de duizenden sporen op de wind naar andere oorden vertrekken. Haarmossen hebben geen gebit en doen het met een bijna papierdun vliesjes om de sporen voor een vroegtijdige ontsnapping te behoeden. Veenmossen lijken ergens tussen blad- en levermossen in te zitten als je alleen naar het kapsel zou kijken. Mooi rond en op een kort wit steeltje geplaatst.

Knopjesmos, geen kapsels maar bolletjes met broedkorrels
Hoewel Gewoon Haarmos en ook enkele Veenmossen decimeters lang kunnen worden zijn de meesten klein tot zeer klein. En dat betekent macro of zelfs super macro fotografie. In het veld met een reguliere Sigma 105 mm en thuis met een lastige Canon MP-E 65 mm die tot 5 x kan vergroten. En zelfs dat is soms niet genoeg omdat alleen celvorm en microscopisch kleine tandjes op de bladrand bij enkele soorten uitsluitsel geven over de ware identiteit. Mossen zijn dus letterlijk uitdagend bijzonder.

Alle mossen van Nederland zijn te vinden in de BLWG Verspreidingsatlas.

zaterdag 7 februari 2015

Nachtvlinders bijzonder belicht

Donderdag 5 februari 2015 kwam het verlossend woord van Kars Veling. De lang verwachte nieuwe nachtvlindergids voor Nederland is verschenen. Hier hebben honderden vlinderaars op gewacht. Doorgewinterde vlinderexperts zaten met een oud, bijna losbladig versleten en verouderd boek. Jonge novicen moesten het doen met zelf gemaakte beelden waar hun leermeesters trouw de namen in grote kapitalen onder gezet hadden.

Lieveling 



Nachtvlinders in beweging stond er boven het bericht van Kars. Een prachtige sfeertekening van dit nieuwe standaardwerk. De nieuwe familie indeling van onze nachtelijke fladderaars is doorgevoerd. de beren zijn verdwenen, de donsvlinders lijken gevlogen en de snuituilen hebben afscheid genomen van hun naamgenoten. Samen hebben ze nu al vier jaar doorgebracht in een nieuw huis: de Spinneruilen. Maar er is veel meer beweging. Verspreidingsgegevens zijn veel beter gedocumenteerd dan in 2006 toen de eerste veldgids Nachtvlinders verscheen. Bijna exoten als Phegea vlinder en Walstro Pijlstaart zijn nu echte Nederlanders geworden. Een Rode Lijst is opgenomen en tekeningen zijn uitgebreid of verbeterd.

Phegea vlinder, eens een beer, nu een spinneruil die in Brabant steeds algemener wordt

Walstropijlstaart (Kwekerij De Cruydt-hoeck), zeldzaam maar wel steeds vaker waargenomen
Het is nog niet zo lang geleden dat elke publieksavond met als thema nachtvlinders begon met de stelling "nachtvlinders zijn grauwe motten". Nationale nachtvlindernachten en zeker ook de nachtvlinderestafette langs tientallen natuurkampeerterreinen hebben daar wel verandering in gebracht. Maar er zijn natuurlijk wel een aantal grijs-bruin getinte vlinders. Zeker als ze ook nog eens hoog bejaard zijn kan het best lastig zijn om dan op een correcte naam uit te komen. In de nieuwe gids zijn extra tekeningen toegevoegd die een eind moeten maken aan lange discussies. De Spikkelspanners bijvoorbeeld. Overal algemeen en zelfs voor ervaren vlinderaars altijd weer even goed kijken.

Ringspikkelspanner, mannetje (natuurkampeerterrein Rhanerveld, Hellendoorn)

Grote spikkelspanner, mannetje (Haren) 

Nieuwe tekeningen van de antennes van beide spikkelspanners


Met de nieuwe nachtvlindergids wordt het nog uitnodigender om eens te gaan kijken naar al die fraaie en soms ook bizarre vlinders. Gewoon thuis in de tuin of op de camping. Twaalf maanden per jaar zijn er vlinders te vinden. Als de temperatuur in de wintermaanden even boven nul komt begint het in december met het wintervlinderfeest, in januari volgen de Perentakken en de Voorjaarsspanners. Maar vanaf april tot augustus is het echt hoogseizoen. Uilen, spanners, pijlstaarten, het gaat maar door. En wachten tot het eindelijk donker wordt is echt niet nodig. Rustende vlinders zijn er te vinden op bomen en allerlei soorten gaan ook overdag even naar de bloemenbar.

Bruine groenuil (Kwekerij De Cruydt-hoeck)

Pauwoogpijlstaart (Midwolde)

Witvlakvlinder, vrouwtje (Hijken)

Hoornaarvlinder (Groningen)

De nieuwe nachtvlindergids is te bestellen bij de Vlinderstichting. Eens meelopen met een nachtvlinderactiviteit in de buurt? Kijk dan eens op de agenda van de Vlinderstichting of in de evenementenlijst van Natuurpresentaties op Facebook of haar website.

Grote Hagenheld (natuurkampeerterrein De Rietkraag, Lemelerveld)

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...